News & events

01/04/2017

De waterdichte verzekering van uw werken.

I. Aansprakelijkheid van de aannemer

 

Alvorens in te gaan op de diverse verzekeringen waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt, is het essentieel een overzicht weer te geven van de diverse verplichtingen die op u rusten tijdens de uitoefening van uw werkzaamheden.

 

1. Oplevering van de werken.

 

1.1 Algemeen

 

  • De oplevering van de werken behoort tot de verplichting van de aannemer, de opneming tot die van de bouwheer.

De aannemer moet het gebouw opleveren en de niet gebruikte stof die aan de bouwheer toebehoort aan hem teruggeven.

 

Niettegenstaande het feit dat de oplevering in de bouwprocedure zeer belangrijk is, heeft de wetgever de oplevering niet gedefinieerd noch de gevolgen ervan omschreven. Deze lacune zorgt in de rechtspraak en de rechtsleer voor een aanslepende discussie.

 

De Franse wetgever daarentegen heeft bij de wet van 4 januari 1978 (Journal Officiel 05/01/1978) in het kader van een globale hervorming van het aannemingsrecht de oplevering gedefinieerd in een nieuw artikel 1792-6):

 

"   … De oplevering is de rechtshandeling waardoor de opdrachtgever, met of zonder voorbehoud, het bouwwerk verklaart te aanvaarden. Zij gebeurt op vraag van de meest gerede partij, hetzij op minnelijke wijze, hetzij, bij gebreke hieraan, op gerechtelijke wijze. In elk geval wordt zij op tegenspraak uitgesproken..."

 

Belangrijk daarbij is dat de oplevering beperkt wordt tot één rechtshandeling (in tegenstelling tot het Belgisch recht waar men een dualistisch systeem kent van oplevering en opneming).

 

  • In het Belgisch recht is de oplevering aan geen vormvereisten gebonden. De oplevering kan zelfs stilzwijgend gebeuren en geschiedt in principe in één keer.

In de praktijk wordt echter in de meeste aannemingscontracten voorzien in een dubbele oplevering, namelijk een voorlopige en een definitieve oplevering.

 

De motivering van het systeem bestaat in hoofdzaak hierin dat men de aannemer slechts wilde ontheffen van zijn aansprakelijkheid nadat, na verloop van een zekere tijd en na een grondige controle, gebleken was dat de werken naar behoren werden uitgevoerd en het gebouw naar behoren functioneerde.

 

Een en ander werd trouwens wettelijk bevestigd in artikel 9 van de wet van 9 juli 1971 dat bepaalt: (zie verder, Wet Breyne)

 

"   De eindoplevering mag niet geschieden dan na verloop van één jaar sedert de voorlopige oplevering, met dien verstande dat de oplevering van de gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de toegangen, reeds heeft plaats gehad, zodat een normale bewoonbaarheid is verzekerd."

 

 

1.2. Voorlopige oplevering

 

  • De voorlopige oplevering als feitelijke verrichting:

De voorlopige oplevering heeft tot doel de voltooiing van het doel vast te stellen. Op zichzelf houdt de voorlopige oplevering geen aanvaarding in.

 

Feitelijk betekent de voorlopige oplevering dat de opdrachtgever het werk ter beschikking heeft gekregen.

 

De voorlopige oplevering is de aanvangsdatum voor de onderhoudstermijn, en dekt normaal de zichtbare (lichte) gebreken.

 

  •  De voorlopige oplevering als juridische verrichting:

De voorlopige oplevering is een vaststellingsovereenkomst tussen aannemer en bouwheer, bijgestaan door zijn architect. De oplevering van het uitgevoerde werk door de aannemer is juridisch gezien de betaling van zijn verbintenis, en de goedkeuring door de aanbesteder (de bouwheer).

 

In concreto betekent dit dat op een bepaalde dag partijen hun rondgang zullen doen in het gebouw om vast te stellen of de werken correct zijn uitgevoerd en eventueel laatst genoteerde gebreken zijn hersteld.

 

Met de goedkeuring van de bouwheer zal de aannemer van zijn verplichtingen zijn ontslagen, met uitzondering van bepaalde herstellingen die nog tijdens de overeengekomen onderhoudstermijn dienen te gebeuren.

 

De architect stelt een proces-verbaal van voorlopige oplevering op en zorgt ervoor dat alles op tegenspraak tussen partijen geschied. Aannemer, architect en bouwheer ondertekenen het P.V. van voorlopige oplevering.

 

  •  De gevolgen van de voorlopige oplevering:

In werkelijkheid houdt de voorlopige oplevering de goedkeuring in van het geleverde werk, onder voorbehoud.

 

De gevolgen van deze goedkeuring zijn:

 

1. Erkenning dat het werk werd uitgevoerd volgens de plannen en naar de regels van de kunst.

2. Zij dekt de zichtbare (lichte) gebreken waaromtrent geen opmerkingen werden gemaakt en voor zover deze niet erger worden tijdens de onderhoudstermijn (evenwel: Cass. 16 oktober 1969, Arr. Cass., 1970, 165 : de feitenrechter kan beslissen dat bij de voorlopige oplevering de bouwheer de zichtbare gebreken niet heeft uitgesloten).

3. Ze doet de onderhoudstermijn lopen tot aan de eindoplevering.

4. Het risico gaat over op de bouwheer.

5. Partijen kunnen bepalen dat de tienjarige aansprakelijkheid voor aannemer en architect beginnen te lopen (art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W.).

6. Er kunnen vanaf nu geen boetebedragen meer worden gevorderd wegens vertraagde oplevering.

7. Veelal zal de aannemer haast volledig zijn betaald.

8. Voor gebouwen waarop de woningbouwwet toepasselijk is, wordt de borgtocht per helften vrijgemaakt; de eerste helft bij de voorlopige oplevering, de tweede helft bij de definitieve oplevering (de verbintenis van borg eindigt bij de voorlopige oplevering).

 

Partijen kunnen nog andere gevolgen bepalen in hun overeenkomst en afhankelijk stellen van de voorlopige oplevering.

 

  • Weigering van de voorlopige oplevering:

De bouwheer heeft het recht de voorlopige oplevering te weigeren. Dit zal hij doen indien het werk niet voltooid is, of niet correct uitgevoerd naar regels van de plannen of naar regels van de kunst.

 

Kleine gebreken zijn echter geen reden om de voorlopige oplevering te weigeren. Ze kunnen in het P.V. worden aangestipt en worden hersteld tijdens de onderhoudstermijn.

 

 

1.3. Definitieve oplevering

 

  • Verloop:

     

    De eindoplevering is juridisch gezien een vaststellingsovereenkomst tussen de bouwheer, bijgestaan door zijn architect, enerzijds en de aannemer, anderzijds. Het houdt in dat voor de aannemer het werk geheel werd beëindigd en hij wordt ontslagen van al zijn verplichtingen.

     

    Op een vooraf bepaalde dag wordt de eindoplevering of definitieve oplevering gehouden. Dit betekent dat een overeenkomst wordt opgesteld ondertekend door alle partijen, waarin wordt gesteld dat alle herstellingen en kleine opmerkingen genoteerd tijdens de voorlopige oplevering, werden verholpen en dat de aannemer volledig ontslagen is van al zijn verdere verplichtingen.

     

    De onderhoudstermijn, tijdens dewelke de gebreken die zichtbaar waren tijdens de voorlopige oplevering of die nadien zichtbaar geworden zijn, dienden te worden hersteld, is dan voorbij.

     

  • Gevolgen:

     

    De eindoplevering heeft tot gevolg dat:

     

    1. De onderhoudstermijn wordt beëindigd en de onderhoudsverplichtingen van de aannemer worden beëindigd.

    2. De borgsom aan de aannemer moet worden terugbetaald.

    3. De aannemer recht heeft op betaling van (het saldo van) de eindafrekening.

    4. De garantieperiode van 10 jaar aansprakelijkheid begint te lopen voor aannemer en architect (zie bespreking verder).

    5. Het werk is uitgevoerd naar bestek en plannen en naar de regels van de kunst.

    6. De aannemer ontheven is van alle aansprakelijkheid voor alle zichtbare gebreken.

    7. De aannemer niet ontheven is van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken.

     

    Dit laatste wordt evenwel betwist door een gedeelte van de rechtsleer en rechtspraak. Sommigen zijn van oordeel dat de definitieve oplevering de aannemer tevens ontslaat van zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken tenzij deze vallen onder de bepalingen van art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W242.

     

    De eindoplevering ontheft de aannemer niet van de aansprakelijkheid t.a.v. derden voor fouten die hij bij de uitvoering van zijn werk heeft begaan (Cass. 18 mei 1961, R.W., 1961-62, 1561).

     

  • Weigering van de eindoplevering:

     

    Indien de gebreken die tijdens de onderhoudstermijn hadden moeten worden hersteld niet door de aannemer in orde zijn gebracht, heeft de bouwheer het recht de eindoplevering te weigeren.

     

    Evenwel kan de bouwheer, bij niet-herstelling van kleine gebreken en bij weigering van de aannemer te herstellen, een aftrek eisen van de aannemingssom als vergoeding.

     

1.4. Stilzwijgende goedkeuring

 

Vermits een bouwovereenkomst zelf zonder geschrift tot stand kan komen (voor private werken) kan de oplevering in beginsel tevens stilzwijgend geschieden.

 

De stilzwijgende oplevering zal blijken uit:

 

-     De volledige betaling zonder voorbehoud.

-     De inbezitneming van het gebouw, zonder enig voorbehoud.

-     De verhuring van het gebouw.

-     De bewoning van het winkelhuis, na renovatie, zonder voorbehoud en blijven stilzitten gedurende twee maanden na ontvangst factuur.

-     Het langdurig stilzitten na ontvangst van de factuur of ontdekking van het verborgen gebrek.

 

Deze gevallen zijn slechts vermoedens van stilzwijgende goedkeuring. De wil om goed te keuren zal moeten blijken uit de omstandigheden.

 

1.5. Gedwongen opneming

 

De aannemer kan steeds de bouwheer dagvaarden om over te gaan tot voorlopige of definitieve oplevering, eventueel na expertise, indien de bouwheer halsstarrig de oplevering weigert.

 

 

2. De tienjarige aansprakelijkheid

 

De tienjarige aansprakelijkheid vloeit voor uit twee belangrijke wetsartikelen:

 

Art. 1792 B.W.

 

"   Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende 10 jaar aansprakelijk."

 

Art. 2270 B.W.

 

"   Na verloop van 10 jaar zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid."

 

2.1. Verhouding tussen de artikelen 1792 en 2270 B.W.

 

Allereerst kan opgemerkt worden dat de twee voornoemde artikelen uitsluitend de aanneming van bouwwerken regelen, d.w.z. elk werk waarbij een bouwondernemer of een architect te pas komt.

 

Aangezien artikel 1792 B.W. enkel spreekt over "een gebouw tegen vaste prijs opgericht" meenden sommigen dat de artikelen een verschillend toepassingsgebied hadden.

 

Op vandaag aanvaarden rechtspraak en rechtsleer dat artikel 2270 B.W. slechts een herhaling is van artikel 1792 B.W. onder de titel van de verjaring. Aangezien artikel 2270 B.W. niet spreekt over vaste prijs moet de tienjarige aansprakelijkheid ook van toepassing worden geacht op de aannemingscontracten die niet tegen vaste prijs zijn afgesloten.

 

2.2. Wat valt onder toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid?

 

De tienjarige aansprakelijkheid geldt ten aanzien van aannemers en architecten.

 

De wet van 9 juli 1971 (Woningbouwwet, Wet Breyne, zie verder) heeft in zijn artikel 6 de hierboven geciteerde artikelen tevens van toepassing verklaard op de verkoper ("de promotor") van een in aanbouw zijnde of te bouwen woning.

 

2.3. De begrippen “gebouw” en “ grote werken” en het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een gebouw.

 

De notie "grote werken" is veel ruimer dan "gebouw".

 

De tienjarige aansprakelijkheid speelt niet enkel een rol bij de constructie van gebouwen, maar bij alle werken waarbij een beroep wordt gedaan op een aannemer of architect. Het begrip bouwonderneming dient ruim geïnterpreteerd te worden.

 

Afbraakwerken vallen niet onder de toepassing van artikel 1792 B.W.

 

Zo moeten als bouwwerk beschouwd worden: een bakkersoven, een brug, een dijk (in feite werken van burgerlijke bouwkunde in het algemeen), een tennisplein,…

 

Over de precieze aard van de gebreken die ressorteren onder de tienjarige aansprakelijkheid komt uit de rechtspraak en de rechtsleer een niet zo eenvormig beeld tot uiting.

Aannemer en architect blijven tien jaar aansprakelijk voor de gebreken die de stevigheid van het gebouw en van de hoofdbestanddelen of de steunpunten zelf aantasten of in gevaar brengen. In elk geval dient het om een ernstig gebrek te gaan.

 

Nochtans stelt men vast dat het begrip stevigheid of stabiliteit van het gebouw zeer ruim wordt geïnterpreteerd.

 

Het is niet noodzakelijk dat het gebouw is ingestort of dat de stabiliteit sensu strictu in het gedrang wordt gebracht.

 

Zo heeft men de toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid aanvaard in onder meer de volgende gevallen:

 

-   een verkeerd uitgevoerde riolering waardoor de kelder van een appartementsgebouw regelmatig onder water was komen te staan, wat uiteindelijk de stabiliteit van het gebouw zou aantasten;

-   het gebruik van slechte mortel;

-   verbrokkeling van stenen en cement in een muur ingevolge vochtinsijpeling;

-   onvoldoende verankering van een dak dat door een storm werd losgemaakt;

-   gebrek aan waterdichtheid van dak en kelder;

 

De tienjarige aansprakelijkheid werd onder meer niet aanvaard in volgende gevallen:

 

-   plaffoneringswerken

-   plaatsing van muurtegels

-   het loskomen van de bevloering

-   sanitaire installatie

 

2.4. Het vertrekpunt, de duur en de omvang van de tienjarige aansprakelijkheid

 

Ook betreffende het vertrekpunt van de tienjarige aansprakelijkheid heerst er grote rechtsonzekerheid.

 

Principieel begint de termijn van de tienjarige aansprakelijkheid te lopen vanaf de dag van de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van de werken, op voorwaarde dat de contracterende partijen niets anders zijn overeengekomen, of bij gebrek daaraan, vanaf de dag waarop de bouwheer werd aangemaand de werken te aanvaarden.

Dit wordt unaniem aanvaard door de rechtsleer en de rechtspraak als de oplevering plaats grijpt in één operatie.

 

Het Hof van Cassatie stelde in een arrest van 04/03/1977 dat de tienjarige aansprakelijkheid een aanvang neemt op de datum gesteld voor de definitieve inontvangstneming.

 

Een groot gedeelte van de rechtsleer kan zich met het standpunt en de motivering van het Hof van Cassatie niet akkoord verklaren, en vinden het aannemelijk dat de tienjarige termijn ingaat van zodra de voltooiing van het gebouw is vastgesteld - dit is de voorlopige oplevering - aangezien vanaf dit ogenblik de gebreken in de bouw en de ongeschiktheid van de grond zich kunnen manifesteren.

 

In de praktijk worden in de overeenkomsten zeer vaak clausules ingelast die uitdrukkelijk voorzien dat de tienjarige termijn van start gaat op de datum van de voorlopige oplevering. Deze clausules worden aanvaard als zijnde geldig.

 

3. De aansprakelijkheid buiten artikel 1792 B.W.

 

De vraag rijst hoe de aansprakelijkheid geregeld is voor de gebreken die niet het voorwerp uitmaken van de tienjarige aansprakelijkheid.

 

Het algemeen principe in verband met de aansprakelijkheid van de aannemer is duidelijk en wordt door niemand betwist: of het nu gaat om het optrekken van een gebouw of om een andere vorm van aanneming: hij blijft aansprakelijk bij slechte uitvoering.

 

De aannemer heeft zich ertoe verbonden een welbepaald werk uit te voeren volgens de plannen van de architect, de aanwijzingen van de bouwheer en de regels van de kunst; als hij in deze verplichtingen tekort schiet, begaat hij een contractuele fout waarvoor hij aansprakelijk kan worden gesteld.

 

De moeilijkheden en de tegenstrijdige opvattingen slaan op de vraag wanneer de aansprakelijkheid van de aannemer ophoudt, m.a.w. wanneer de aannemer van zijn aansprakelijkheid is ontlast.

 

Er worden 2 verschillende soorten gebreken onderscheiden:

 

  • De zichtbare gebreken: De aannemer is aansprakelijk voor de zichtbare gebreken tot op het ogenblik van de aanvaarding. Van zodra de bouwheer de werken heeft hij aanvaard, heeft hij ook de zichtbare gebreken aanvaard, en kan de aannemer hier niet meer aansprakelijk voor gehouden worden.

     

  • De verborgen gebreken: Dit zijn gebreken die niet zichtbaar zijn, en pas na verloop van tijd (en bij in gebruik neming van de werken) duidelijk worden voor de bouwheer. Er wordt aangenomen in rechtspraak en rechtsleer dat de aanvaarding van de werken niet de verborgen gebreken dekt (daar deze op het ogenblik van de aanvaarding niet gekend zijn door de bouwheer). De aannemer blijft dus ook na de aanvaarding van de werken (en na de definitieve oplevering) aansprakelijk voor de verborgen gebreken.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de aannemer tot 10 jaar na de aanvaarding van de werken aansprakelijk blijft voor de lichte verborgen gebreken. Het zou immers niet billijk zijn dat de aannemer voor de zware gebreken (art. 1792 BW) slechts 10 jaar aansprakelijk is, en voor de lichte verborgen gebreken langer dan 10 jaar.

 

4. De verhouding hoofdaannemer – onderaannemer – bouwheer

 

4.1. De wetsartikelen

 

Art. 1797 B.W.

 

        " De aannemer is aansprakelijk voor de daden van de persoon die hij bezigt."

 

Art. 1798 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers, gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij de aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

        De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde."

 

Art. 1799 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, slotenmakers en andere werklieden die rechtstreeks werken tegen vaste prijs zijn gehouden aan de regels in deze afdeling voorgeschreven. Zij zijn aannemers voor het werk dat zij uitvoeren."

 

 

4.2. De onderaanneming en artikel 1797 B.W.

 

De Belgische wetgever heeft het onderaannemingscontract niet gedefinieerd. In de Franse wet van 31 december 1975 (waarover verder meer) werd daar wel in voorzien.

 

Vrij vertaald komt deze definitie hierop neer:

 

"   De handeling waarbij de aannemer door middel van een onderaannemingscontract en onder zijn aansprakelijkheid aan een ander persoon, onderaannemer genoemd, een geheel of een gedeelte toevertrouwd van een aannemingscontract of een openbaar werk, gesloten met de bouwheer."

 

De onderaanneming voert drie personages ten tonele in twee handelingen, twee contracten:

 

-   de overeenkomst bouwheer-hoofdaannemer en

-   de overeenkomst hoofdaannemer-onderaannemer.

 

4.3. Kenmerken overeenkomst

 

Het onderaannemingscontract als modaliteit van het aannemingscontract wordt gekenmerkt door de onafhankelijkheid van de aannemer in de uitvoering van zijn werk. Uiteraard sluit dit niet uit dat er samenwerking bestaat tussen de contracterende partijen of algemene richtlijnen dienen gerespecteerd te worden of dat er controle wordt uitgevoerd door de hoofdaannemer.

 

Anderzijds is er toch de afhankelijkheid van plannen en technische specificaties gegeven door de opdrachtgever.

In essentie betekent de onderaanneming dus de opvolging van twee aannemingscontracten: het ene tussen de bouwheer en de hoofdaannemer, het andere tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer.

 

In de Belgische rechtspraak wordt hoofdzakelijk de autonomie van het onderaannemingscontract benadrukt.

Dit houdt in dat de hoofdaannemer, die een overeenkomst van onderaanneming heeft gesloten, contractueel jegens de onderaannemer gebonden blijft, ook al wordt het werk hem door de bouwheer niet gegund.

 

De onderaannemer kan in voorkomend geval een vordering tot ontbinding van de overeenkomst instellen en schadevergoeding vorderen.

 

Bepaalde auteurs bekritiseren deze stelling.

 

Naar Belgisch recht wordt het recht van de hoofdaannemer om onderaannemingscontracten te sluiten in principe niet afhankelijk gesteld van de voorafgaande toelating van de bouwheer.

 

Wel wordt de nadruk gelegd op de "eenheid van waarborg" van de hoofdaannemer jegens de opdrachtgever. Het intuïtu personae karakter dat aan een aantal aannemingscontracten wordt toegekend, ook in de bouw, dient eerder begrepen te worden vanuit de "persoonlijke en totale" waarborg die de hoofdaannemer op zich neemt, eerder dan in de persoonlijke uitvoering als dusdanig.

 

In de sector van de openbare werken evenwel lijkt de administratie de keuze van de onderaannemer wel te oriënteren, door strenge eisen te stellen op het vlak van de technische en financiële waarborgen, alsmede door het ontmoedigen van de hoofdaannemer om een beroep te doen op niet-geregistreerde onderaannemers.

 

 

4.4. Aansprakelijkheid van de hoofdaannemer

 

Overeenkomstig artikel 1797 B.W., als voormeld, is de hoofdaannemer ten aanzien van de bouwheer aansprakelijk voor de fouten welke de onderaannemer, waarop hij een beroep heeft gedaan, heeft gemaakt tijdens de uitvoering van de werken.

 

Uiteraard blijft de onderaannemer jegens de hoofdaannemer persoonlijk aansprakelijk voor de fouten die hij beging.

 

De fout van de onderaannemer maakt principieel geen overmacht uit, noch is zij een vreemde oorzaak voor de hoofdaannemer.

 

Bepaalde omstandigheden kunnen echter van aard zijn deze regel te nuanceren:

 

  • Ten eerste in het geval van bedrog van de onderaannemer waar de rechtspraak lijkt aan te nemen dat bedrog enkel aan de hoofdaannemer kan worden toegerekend voor zover het persoonlijk is.

     

  • Vervolgens stellen er zich vragen in die gevallen waar de onderaannemer een dermate gespecialiseerd beroep uitoefent, dat zelfs de hoofdaannemer ter zake niet in staat is om eventuele gebreken vast te stellen, laat staan om de oorzaken ervan aan te duiden. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in dergelijk geval de vordering van de bouwheer tegen de hoofdaannemer onontvankelijk verklaard.

     

  • Tot slot kan het geval worden aangehaald waar de keuze van een bepaald onderaannemer wordt opgelegd aan de hoofdaannemer. Ook in dergelijke, zeer precieze omstandigheden, lijkt de hoofdaannemer vrijuit te kunnen gaan bij vastgestelde fouten van de onderaannemer.

     

4.5. De verhouding hoofdaannemer - onderaannemer

 

Zoals voormeld zijn hoofd- en onderaannemingscontract principieel twee onderscheiden, autonome contracten.

 

De economische werkelijkheid is echter dat zij vaak zeer nauw verbonden zijn.

 

Zo stelt zich in het algemeen de vraag naar de toepasselijkheid op het onderaannemingscontract van clausules die voorzien zijn in het hoofdcontract.

 

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de tekst van artikel 1165 B.W. in herinnering worden gebracht. Krachtens dit artikel heeft de inhoud van een overeenkomst slechts uitwerking tussen de partijen.

 

Toegepast op de materie die hier behandeld wordt, heeft dit voor de hoofdaannemer het belangrijke gevolg dat alle bedingen die hem bepaalde verplichtingen opleggen in zijn hoofdaannemingsovereenkomst met de bouwheer, in principe niet tegenstelbaar zijn aan de onderaannemer, die er aldus normaal niet door gebonden is.

 

Voor de hoofdaannemer is het dan ook belangrijk om de clausules uit zijn contract met de bouwheer die hem bepaalde verplichtingen opleggen, op te nemen in zijn contract met de onderaannemer.

 

  • Zo wordt er dikwijls bepaald dat de betaling van de onderaannemer afhankelijk gesteld wordt van de betaling van de hoofdaannemer door de bouwheer.

     

    Hoewel een dergelijke clausule geldig is, laat zij toch een aanzienlijke ruimte voor misbruik, reden waarom de rechtspraak deze bepalingen restrictief interpreteert.

     

    Meestal wordt aangenomen dat het betalingsritme wel door voornoemde omstandigheid kan worden bepaald, maar niet het bestaan van de schuldvordering zelf en de uiteindelijke betaling ervan.

     

  • een analoog probleem stelt zich vaak inzake de clausules voor prijsherziening op grond van fluctuaties van kostprijzen voor lonen, grondstoffen, energie,…

     

    Als dergelijke clausule niet is opgenomen in het onderaannemingscontract kan de onderaannemer er zich principieel niet op beroepen. (Uitzondering: overheidsopdrachten, art. 53 van het KB van 12/04/1977.)

     

  • Ook met betrekking tot de oplevering van de werken is het probleem pertinent.

     

    De oplevering van de werken van de onderaannemer valt niet noodzakelijk samen met de oplevering van het ganse bouwwerk.

    De onderaannemer is trouwens in geen enkel opzicht gebonden door de vaststellingen van een proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering, waarbij hij geen partij was.

     

    De onderaannemer is trouwens niet meer aansprakelijk indien zijn werken stilzwijgend of uitdrukkelijk opgeleverd werden door de hoofdaannemer en indien de opdrachtgever later bij de oplevering door de hoofdaannemer nog eisen stelt betreffende de in onderaanneming uitgevoerde werken.

     

    Er kan echter bedongen worden dat de oplevering tussen onderaannemer en hoofdaannemer en de oplevering tussen hoofdaannemer en bouwheer gelijktijdig dient te geschieden. Dergelijke clausules zijn geldig maar uiteraard gevaarlijk voor de onderaannemer vermits op die manier het risico langer dan noodzakelijk bij hem blijft liggen.

     

  • Vele betwistingen vinden hun oorsprong in de toepassing van boeteclausules en boetes wegens vertraging in de beëindiging van de werken.

     

        Aan de ene kant is het ongetwijfeld juist dat de onderaannemer bij niet-uitvoering van zijn verbintenissen de consequenties in acht moet nemen van zijn wanprestatie op de verhouding hoofdaannemer-bouwheer. Hij zal in voorkomend geval gehouden zijn tot vergoeding van de integrale schade.

     

        Aan de andere kant is het echter wel zo dat de enkele kennisname door de onderaannemer van het bestaan van de hoofdovereenkomst niet tot gevolg heeft dat de bepalingen uit het contract hoofdaannemer-bouwheer op hem toepasselijk zouden zijn en hij verplicht zou zijn de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen na te leven.

     

     

4.6. De verhouding onderaannemer - bouwheer

 

●       Geen rechtstreekse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer

 

Onderaanneming doet in principe geen rechtsbetrekking tussen de bouwheer en de onderaannemer ontstaan.

 

Hoewel de onderaannemer een beperkte rechtstreekse vordering heeft in betaling van zijn arbeid en leveringen tegen de bouwheer (zie verder), heeft omgekeerd, de bouwheer geen rechtstreekse vordering tegen de onderaannemer voor uitvoering van het werk of voor eventueel geleden schade ten gevolge van slecht uitgevoerd werk.

 

Een en ander heeft voor gevolg dat bij insolventie of faillissement van de hoofdaannemer de bouwheer volledig in de kou komt te staan.

 

Enkel volgende vorderingen zijn mogelijk voor slecht uitgevoerd werk of voor schade:

 

-   De bouwheer tegen zijn hoofdaannemer.

-   De hoofdaannemer tegen zijn onderaannemer.

-   Een zijdelingse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer. (1166 BW)

-   Wanneer de onderaannemer door een strafmisdrijf of een burgerlijk misdrijf schade toebrengt aan het bouwwerk, kan de bouwheer op grond van onrechtmatige daad (art. 1382 B.W.) rechtstreeks tegen de onderaannemer optreden.

 

 

●        Wél een beperkte rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer

 

Dankzij art. 1798 BW heeft de onderaannemer wel een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer voor zijn onbetaalde prestaties.

 

De onderaannemer kan zich rechtstreeks richten tegen de bouwheer en kan van de bouwheer rechtstreeks betaling bekomen ten belope van hetgeen de bouwheer aan de hoofdaannemer verschuldigd is, op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld.

 

De schuldeisers van de onderaannemers hebben echter geen rechtstreekse vordering tegen de hoofdaannemer wegens het uitgevoerde werk en de gedane leveringen.

 

De werklieden van de onderaannemer kunnen de rechtstreekse vordering uit art. 1798 B.W. niet tegen de hoofdaannemer instellen

 

 

II. Huidige verzekeringssysteem voor aannemers bij bouwwerken en de toekomstige uitdaging van de verplichte verzekering voor aannemers.

 

Op 20 oktober 2016 keurde de Ministerraad een voorontwerp van wet goed, waarbij aannemers, architecten en andere actoren in de bouwsector zich verplicht zullen moeten verzekeren voor hun tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid. De nieuwe regelgeving zou in werking treden op 1 januari 2018.

 

De verplichting is beperkt tot werken in de woningbouw waarvoor de tussenkomst van een architect vereist is en tot de tienjarige aansprakelijkheid.

 

In uitvoering van artikel 38 van de Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsoverdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten dient de aannemer die meedingt naar een overheidsopdracht te bewijzen dat hij een verzekering heeft aangegaan:

 

1. tegen arbeidsongevallen;

2. tegen de ‘ burgerlijke aansprakelijkheid bij ongevallen die door de werken aan derden worden berokkend'.

 

Momenteel gelden er in België geen andere wettelijke verplichtingen die de aannemers ertoe verplichten een verzekering aan te gaan voor bouw- of renovatieprojecten.

 

Architecten daarentegen zijn deontologisch verplicht om hun beroepsaansprakelijkheid te laten verzekeren, voor veiligheidscoördinatoren voorziet art 65 van het KB van 25 januari 2001 in een verplichte verzekering tegen hun burgerlijke aansprakelijkheid.

 

Dat er op heden geen verplichte verzekering voor aannemers bestaat, neemt echter niet weg, dat gelet op de uitdagingen en aansprakelijkheden waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden, zich best goed laat verzekeren op eigen initiatief via een A.B.R. verzekering en / of een B.A. verzekering.

 

 

De verzekeringen in de bouwsector kunnen worden ingedeeld in twee grote categorieën.

 

Enerzijds de verzekering van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten:

 

- Burgerrechtelijke Aansprakelijkheid van de Bouwbedrijven;

- Beroepsaansprakelijkheid van Architecten, Ingenieurs enz

 

Anderzijds de verzekering van bepaalde goederen:

 

- Alle Risico's Bouwplaats;

- Tienjarige Aansprakelijkheid van Aannemers en Architecten met of zonder controle.

 

 

1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid.

De BA-verzekering dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de aannemer ten opzichte van derden die schade lijden veroorzaakt door de uitgevoerde werken.

Deze polis dekt enkel materiële en lichamelijke schade die door derden wordt geleden.

Derden zijn personen vreemd aan de uitvoering van het contract.

 

1.1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid

 

Verzekerde personen:

 

In de verzekeringen tegen de B.A. van de Ondernemingen worden de volgende personen als verzekerde beschouwd:

 

  • De verzekeringsnemer ( natuurlijke of rechtspersoon) ;
  • De persoon vermeld als bedrijfsleider in de bijzondere voorwaarden;
  • Indien de verzekeringsnemer een natuurlijk persoon is: de familieleden of degenen die bij hem inwonen, wanneer zij hulp bieden in de exploitatie van de onderneming;
  • De bestuurders, zaakvoerders, commissarissen en actieve vennoten in de uitoefening van hun functie;
  • De aangestelden: arbeiders, bedienden, leerjongens en niet bezoldigde helpers. Hierbij zijn eveneens begrepen de toevallige aangestelden die niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de verzekeringsnemer

Zij zijn verzekerd voor de gevolgen van elke schadeverwekkende gebeurtenis met de volgende kenmerken: plots, toevallig, abnormaal, onvrijwillig en onvoorzien.

 

- Verzekerde schade:

 

De verzekerde schade wordt onderverdeeld in lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële schade.

 

  • De lichamelijke schade behelst de gevolgen van letsels: medische kosten, inkomstenverlies, begroting van de invaliditeit of economische ongeschiktheid, morele en/of esthetische schade.

     

  • In de schade aan goederen zijn begrepen de noodzakelijke herstellings- of vervangingskosten of de eventuele minwaarde.

     

  • Het begrip immateriële schade is een specifeke verzekeringsnotie, en omvat de vermogensschade, andere dan de letselschade of de schade aan goederen. Hierin zijn begrepen de gebruiksderving, het verlies aan cliënteel, het productieverlies of de productievertraging, de winstderving enz.

     

- Omvang:

 

De tussenkomstlimieten worden doorgaans vastgesteld in de bijzondere voorwaarden. Zij worden toegepast per schadegeval en/of per verzekeringsjaar.

 

De verzekeringspolis voorziet in een plafond, waarboven geen dekking wordt verleend en een vrijstelling voor eigen risico.

 

Er wordt geen dekking verleend in geval van bedrog en grove schuld.

 

- Vrijstelling:

 

Eigen risico van de verzekerde, zijnde een vast bedrag of percentage van het schadebedrag, met doorgaans een minimum- en een maximumbedrag, dat kan verschillen volgen de oorzaak van de schade en éénmaal per schadegeval wordt afgetrokken.

 

- Uitsluitingen:

Bedrog, grove schuld, contractuele verzwaring ( verwijlboete, vrijwaringsbedingen)

 

 

1.2. B.A.- uitbating

 

- Dekking:

Het voorwerp van de verzekeringsactiviteit is de bescherming van het bedrijf tegen bepaalde, toevallige financiële risico's, meer bepaald  tegen de financiële gevolgen van aansprakelijkheden voor incidenten ontstaan ter gelegenheid van de uitvoering van de verzekerde activiteiten, met uitsluiting van de specifieke verbintenissen die betrekking hebben op het voorwerp van deze activiteiten. Doorgaans verzekeren de polissen de dekking van de 'burgerrechtelijke extracontractuele aansprakelijkheid' tegenover derden, zowel naar Belgisch als naar buitenlands recht.

De dekking wordt steeds beperkt tot de activiteiten omschreven in de bijzondere  voorwaarden van het verzekeringscontract. De nevenactiviteiten die verband houden met de verzekerde hoofdactiviteit kunnen eveneens in de dekking begrepen zijn.

 

- Omvang:

De verzekerde bedragen worden soms vastgesteld in de algemene voorwaarden. Meestal zijn zij echter terug te vinden in de bijzondere voorwaarden.

 

- Verzekerde schade:

De dekking behelst:

- de lichamelijke schade: alle gevolgen van letsels, zowel materieel als moreel;

- de 'materiele schade': de herstellings- of vervangingskosten ten gevolge van schade aan goederen;

- de immateriële schade: de zuiver financiële schade, al dan niet het gevolg van schade aan goederen.

 

- Uitsluitingen:

De dekking voor milieuverontreiniging, burenhinder, toevertrouwde voorwerpen en ongevallen met voertuigen, wordt in de polissen veelal beperkt of zelfs uitgesloten– de verzekerde doet er dus goed aan één en ander vooraf te bespreken met de makelaar bij de onderhandelingen over de verzekeringsovereenkomst.

 

 

1.3. Aansprakelijkheid na levering ( aansprakelijkheid voor producten en werken)

 

- De dekking :

De verzekering waarborgt de gevolgschade te wijten aan gebreken in de levering van goederen of in de uitvoering van werken. Er is sprake van levering vanaf het ogenblik waarop er zich feitelijk controleverlies voordoet.

De verzekering dekt de financiële gevolgen van de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade berokkend aan derden door producten na levering of werken na hun uitvoering.

De gedekte aansprakelijkheid betreft zowel de contractuele als de extracontractuele aansprakelijkheid, naar binnenlands of naar buitenlands recht.

 

- Omvang in tijd:

Doorgaans  geldt de dekking voor alle schadegevallen die zich voordoen tijdens de volledige duurtijd van de polis.

 

- Verzekerde schade:

De verzekering voorziet in de vergoeding van lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële gevolgschade tot een bepaald, in de polis voorzien bedrag. Zuiver immateriële schade is steeds uitgesloten.

 

- Uitsluitingen:

De verzekering ‘B.A. Na Levering' heeft nooit betrekking op de geleverde goederen zelf, en is beperkt tot de schade veroorzaakt door deze producten of werken. De tienjarige aansprakelijkheid is uitgesloten van dekking en ook schade die louter voortvloeit uit het feit dat de levering de functies niet vervult waarvoor ze bestemd is of het beoogde resultaat niet bereikt, valt niet onder de verzekeringsdekking.

 

2. A.B.R. Verzekering

 

De Belgische verzekeringsmarkt voorziet voor wat bouwwerken betreft in een keuze tussen twee polisconcepten.

 

Een eerste betreft de zgn. Controleverzekering.

 

De controleverzekering dekt enkel de schade door instorting en de erge verstoring, waardoor de stabiliteit van het bouwwerk wordt bedreigd.

 

Deze dekking is onderhevig aan de technische controle van een onafhankelijk controleorganisme en is beperkt tot de schade aan de gecontroleerde delen van het bouwwerk.

 

Naast deze formule bestaat ook de verzekering 'Alle Risico's Bouwplaats' die, omwille van haar doeltreffendheid, zich in België ontwikkeld heeft tot één van de voornaamste verzekeringsproducten voor de bouw.

 

Zowel wat de verzekerde goederen als wat de verzekerde partij betreft, biedt de A.B.R.-verzekering de meest uitgebreide dekking.

 

De verzekering wordt meestal onderschreven door één partij, bouwheer of aannemer, ten voordele van alle op de werf tussenkomende partijen. Bovendien wordt door een ABR verzekering alles wat niet uitgesloten is, gedekt.

 

De A.B.R.-verzekering kan op twee manieren worden onderschreven, hetzij voor een bijzonder werk, hetzij voor een reeks werken onder de vorm van een abonnementspolis.

 

De A.B.R.-verzekering heeft een dubbele doelstelling:

 

- De dekking van de materiële schade aan de werken en aan andere goederen die zich op de werf bevinden;( afdeling I)

 

- De dekking van de BA ten gevolge van lichamelijke en materiële schade veroorzaakt aan derden door de bouwwerken ( afdeling II).

 

De algemene voorwaarden zijn dan ook ingedeeld in twee luiken :enerzijds de zaakschade-, anderzijds de aansprakelijkheidsverzekering.

 

 

2.1. De zaakschadeverzekering

 

- Wat wordt gedekt:

In de ABR polis worden de definitief op te richten goederen, die het voorwerp uitmaken van de aannemingen en beschreven Borden in de bijzondere voorwaarden verzekerd.

 

Hierin zijn begrepen : de bouwwerken en de erin te verwerken bouwmaterialen en -elementen, evenals hun uitrustingen.

 

Als 'bouwwerken' kunnen zowel nieuwbouw als renovatiewerken verzekerd worden. Zij omvatten niet alleen de ruwbouw maar ook de afwerkingen zoals deuren en vensters, bepleistering, vloerbekleding, enz. De grond is niet verzekerd.

 

Alle gebeurtenissen die niet zijn uitgesloten zijn gedekt. De verzekerden zullen vergoed worden voor iedere beschadiging en ieder verlies van de verzekerde goederen te wijten onder meer aan natuurevenementen zoals, storm, aardbeving, overstroming of blikseminslag. Instorting of verzakking van het bouwwerk, grondverschuiving, vandalisme en diefstal van te verwerken materialen behoren eveneens tot de verzekerde gevaren.

 

Op vraag van de verzekerde kan de dekking worden uitgebreid tot goederen, die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en tot bestaande goederen die eigendom zijn van de bouwheer.

 

- Duur van de waarborg:

 

De polis maakt een onderscheid tussen de « bouw-montage- testtermijn » en de onderhoudstermijn.

 

De eerste begint te lopen op de aanvangsdatum van de polis en komt ten einde bij de eerste van volgende gebeurtenissen: voorlopige oplevering, ingebruikname of indienststelling en het einde van de in de bijzondere voorwaarden voorziene duur van de werken.

 

De tweede begint bij het einde van de eerste en komt ten einde na de termijn voorzien in de bijzondere voorwaarden.

 

Let wel : de dekking die tijdens de onderhoudstermijn wordt verleend, moet uitdrukkelijk worden omschreven in de algemene voorwaarden.

 

 

- Specifieke voorwaarden :

 

Om gedekt te zijn moet de schade voldoen aan een dubbele voorwaarde:

 

  • De schade moet te wijten zijn aan een schadeverwekkend feit dat zich op de bouwplaats heeft voorgedaan tijdens de bouw-, montage- of proeftermijn, en

     

  • De schade moet tijdens de in de bijzondere voorwaarden van de polis omschreven onderhoudstermijn worden vastgesteld.

     

2.2. Aansprakelijkheidsverzekering

 

De tweede afdeling is een facultatieve uitbreiding van de A.B.R.- polis.

 

Men kan enkel intekenen op dit luik in aanvulling op Afdeling I 'Schade en Verliezen'. ln de abonnementspolissen is deze uitbreiding meestal niet voorzien.

 

De dekking bevat belangrijke beperkingen en is niet bedoeld om de aansprakelijkheidsverzekeringen van de individuele deelnemers te vervangen. Zij moet eerder beschouwd worden als een overkoepelende aanvulling op deze verzekeringen.

 

De type-polis 1995 voorziet enkel een dekking tijdens de bouw-, montage-, proeftermijn. De verzekeraars zijn echter bereid deze dekking ook tijdens de onderhoudstermijn te voorzien, uiteraard enkel indien deze verzekeringstermijn in de dekking voorzien in Afdeling I is opgenomen.

 

- Wat wordt gedekt :

 

In A.B.R.-polissen kunnen de volgende waarborgen worden voorzien:

 

  • Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: de vergoeding van schade, die te wijten is aan de uitvoering op de bouwplaats van de verzekerde werken en waarvoor een verzekerde aansprakelijk wordt gesteld krachtens de artikelen 1382 tot 1386 B.W.;
  • Stoornis van nabuurschap : de aansprakelijkheid van de bouwheer voor schade aan derden die te wijten is aan het gebruik van zijn eigendomsrecht en die het gevolg is van de uitvoering van de verzekerde werken.

De aansprakelijkheidswaarborgen gelden slechts voor de lichamelijke letsels alsook voor de materiële schade en de rechtstreekse gevolgen van deze schade.

 

De zuiver immateriële schade is dus niet verzekerd.

 

Het betreft de economische gevolgschade, waaronder het verlies van marktaandelen of clienteel, de roerende of onroerende gebruiksderving, productieverlies, winstderving en dergelijke.

 

- Ten aanzien van welke personen :

De verzekering dekt enkel de schade aan derden.

 

Zijn geen derden volgens de polis : de bouwheer, de deelnemers aan de verzekerde werken (aannemers, architecten, enz.), de vennoten, bestuurders, zaakvoerders, commissarissen, mandatarissen en aangestelden van de verzekerden wanneer ze hun functies uitoefenen.

 

- Beperkingen :

Merk ook op dat bij samenloop van meerdere verzekeringen de A.B.R.-verzekering als aanvullend beschouwd wordt zodat de bestaande dekkingen 'BA-exploitatie' voorrang krijgen.

 

 <

Auteur

Frouke Diels

News & events

01/04/2017

De waterdichte verzekering van uw werken.

I. Aansprakelijkheid van de aannemer

 

Alvorens in te gaan op de diverse verzekeringen waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt, is het essentieel een overzicht weer te geven van de diverse verplichtingen die op u rusten tijdens de uitoefening van uw werkzaamheden.

 

1. Oplevering van de werken.

 

1.1 Algemeen

 

  • De oplevering van de werken behoort tot de verplichting van de aannemer, de opneming tot die van de bouwheer.

De aannemer moet het gebouw opleveren en de niet gebruikte stof die aan de bouwheer toebehoort aan hem teruggeven.

 

Niettegenstaande het feit dat de oplevering in de bouwprocedure zeer belangrijk is, heeft de wetgever de oplevering niet gedefinieerd noch de gevolgen ervan omschreven. Deze lacune zorgt in de rechtspraak en de rechtsleer voor een aanslepende discussie.

 

De Franse wetgever daarentegen heeft bij de wet van 4 januari 1978 (Journal Officiel 05/01/1978) in het kader van een globale hervorming van het aannemingsrecht de oplevering gedefinieerd in een nieuw artikel 1792-6):

 

"   … De oplevering is de rechtshandeling waardoor de opdrachtgever, met of zonder voorbehoud, het bouwwerk verklaart te aanvaarden. Zij gebeurt op vraag van de meest gerede partij, hetzij op minnelijke wijze, hetzij, bij gebreke hieraan, op gerechtelijke wijze. In elk geval wordt zij op tegenspraak uitgesproken..."

 

Belangrijk daarbij is dat de oplevering beperkt wordt tot één rechtshandeling (in tegenstelling tot het Belgisch recht waar men een dualistisch systeem kent van oplevering en opneming).

 

  • In het Belgisch recht is de oplevering aan geen vormvereisten gebonden. De oplevering kan zelfs stilzwijgend gebeuren en geschiedt in principe in één keer.

In de praktijk wordt echter in de meeste aannemingscontracten voorzien in een dubbele oplevering, namelijk een voorlopige en een definitieve oplevering.

 

De motivering van het systeem bestaat in hoofdzaak hierin dat men de aannemer slechts wilde ontheffen van zijn aansprakelijkheid nadat, na verloop van een zekere tijd en na een grondige controle, gebleken was dat de werken naar behoren werden uitgevoerd en het gebouw naar behoren functioneerde.

 

Een en ander werd trouwens wettelijk bevestigd in artikel 9 van de wet van 9 juli 1971 dat bepaalt: (zie verder, Wet Breyne)

 

"   De eindoplevering mag niet geschieden dan na verloop van één jaar sedert de voorlopige oplevering, met dien verstande dat de oplevering van de gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de toegangen, reeds heeft plaats gehad, zodat een normale bewoonbaarheid is verzekerd."

 

 

1.2. Voorlopige oplevering

 

  • De voorlopige oplevering als feitelijke verrichting:

De voorlopige oplevering heeft tot doel de voltooiing van het doel vast te stellen. Op zichzelf houdt de voorlopige oplevering geen aanvaarding in.

 

Feitelijk betekent de voorlopige oplevering dat de opdrachtgever het werk ter beschikking heeft gekregen.

 

De voorlopige oplevering is de aanvangsdatum voor de onderhoudstermijn, en dekt normaal de zichtbare (lichte) gebreken.

 

  •  De voorlopige oplevering als juridische verrichting:

De voorlopige oplevering is een vaststellingsovereenkomst tussen aannemer en bouwheer, bijgestaan door zijn architect. De oplevering van het uitgevoerde werk door de aannemer is juridisch gezien de betaling van zijn verbintenis, en de goedkeuring door de aanbesteder (de bouwheer).

 

In concreto betekent dit dat op een bepaalde dag partijen hun rondgang zullen doen in het gebouw om vast te stellen of de werken correct zijn uitgevoerd en eventueel laatst genoteerde gebreken zijn hersteld.

 

Met de goedkeuring van de bouwheer zal de aannemer van zijn verplichtingen zijn ontslagen, met uitzondering van bepaalde herstellingen die nog tijdens de overeengekomen onderhoudstermijn dienen te gebeuren.

 

De architect stelt een proces-verbaal van voorlopige oplevering op en zorgt ervoor dat alles op tegenspraak tussen partijen geschied. Aannemer, architect en bouwheer ondertekenen het P.V. van voorlopige oplevering.

 

  •  De gevolgen van de voorlopige oplevering:

In werkelijkheid houdt de voorlopige oplevering de goedkeuring in van het geleverde werk, onder voorbehoud.

 

De gevolgen van deze goedkeuring zijn:

 

1. Erkenning dat het werk werd uitgevoerd volgens de plannen en naar de regels van de kunst.

2. Zij dekt de zichtbare (lichte) gebreken waaromtrent geen opmerkingen werden gemaakt en voor zover deze niet erger worden tijdens de onderhoudstermijn (evenwel: Cass. 16 oktober 1969, Arr. Cass., 1970, 165 : de feitenrechter kan beslissen dat bij de voorlopige oplevering de bouwheer de zichtbare gebreken niet heeft uitgesloten).

3. Ze doet de onderhoudstermijn lopen tot aan de eindoplevering.

4. Het risico gaat over op de bouwheer.

5. Partijen kunnen bepalen dat de tienjarige aansprakelijkheid voor aannemer en architect beginnen te lopen (art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W.).

6. Er kunnen vanaf nu geen boetebedragen meer worden gevorderd wegens vertraagde oplevering.

7. Veelal zal de aannemer haast volledig zijn betaald.

8. Voor gebouwen waarop de woningbouwwet toepasselijk is, wordt de borgtocht per helften vrijgemaakt; de eerste helft bij de voorlopige oplevering, de tweede helft bij de definitieve oplevering (de verbintenis van borg eindigt bij de voorlopige oplevering).

 

Partijen kunnen nog andere gevolgen bepalen in hun overeenkomst en afhankelijk stellen van de voorlopige oplevering.

 

  • Weigering van de voorlopige oplevering:

De bouwheer heeft het recht de voorlopige oplevering te weigeren. Dit zal hij doen indien het werk niet voltooid is, of niet correct uitgevoerd naar regels van de plannen of naar regels van de kunst.

 

Kleine gebreken zijn echter geen reden om de voorlopige oplevering te weigeren. Ze kunnen in het P.V. worden aangestipt en worden hersteld tijdens de onderhoudstermijn.

 

 

1.3. Definitieve oplevering

 

  • Verloop:

     

    De eindoplevering is juridisch gezien een vaststellingsovereenkomst tussen de bouwheer, bijgestaan door zijn architect, enerzijds en de aannemer, anderzijds. Het houdt in dat voor de aannemer het werk geheel werd beëindigd en hij wordt ontslagen van al zijn verplichtingen.

     

    Op een vooraf bepaalde dag wordt de eindoplevering of definitieve oplevering gehouden. Dit betekent dat een overeenkomst wordt opgesteld ondertekend door alle partijen, waarin wordt gesteld dat alle herstellingen en kleine opmerkingen genoteerd tijdens de voorlopige oplevering, werden verholpen en dat de aannemer volledig ontslagen is van al zijn verdere verplichtingen.

     

    De onderhoudstermijn, tijdens dewelke de gebreken die zichtbaar waren tijdens de voorlopige oplevering of die nadien zichtbaar geworden zijn, dienden te worden hersteld, is dan voorbij.

     

  • Gevolgen:

     

    De eindoplevering heeft tot gevolg dat:

     

    1. De onderhoudstermijn wordt beëindigd en de onderhoudsverplichtingen van de aannemer worden beëindigd.

    2. De borgsom aan de aannemer moet worden terugbetaald.

    3. De aannemer recht heeft op betaling van (het saldo van) de eindafrekening.

    4. De garantieperiode van 10 jaar aansprakelijkheid begint te lopen voor aannemer en architect (zie bespreking verder).

    5. Het werk is uitgevoerd naar bestek en plannen en naar de regels van de kunst.

    6. De aannemer ontheven is van alle aansprakelijkheid voor alle zichtbare gebreken.

    7. De aannemer niet ontheven is van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken.

     

    Dit laatste wordt evenwel betwist door een gedeelte van de rechtsleer en rechtspraak. Sommigen zijn van oordeel dat de definitieve oplevering de aannemer tevens ontslaat van zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken tenzij deze vallen onder de bepalingen van art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W242.

     

    De eindoplevering ontheft de aannemer niet van de aansprakelijkheid t.a.v. derden voor fouten die hij bij de uitvoering van zijn werk heeft begaan (Cass. 18 mei 1961, R.W., 1961-62, 1561).

     

  • Weigering van de eindoplevering:

     

    Indien de gebreken die tijdens de onderhoudstermijn hadden moeten worden hersteld niet door de aannemer in orde zijn gebracht, heeft de bouwheer het recht de eindoplevering te weigeren.

     

    Evenwel kan de bouwheer, bij niet-herstelling van kleine gebreken en bij weigering van de aannemer te herstellen, een aftrek eisen van de aannemingssom als vergoeding.

     

1.4. Stilzwijgende goedkeuring

 

Vermits een bouwovereenkomst zelf zonder geschrift tot stand kan komen (voor private werken) kan de oplevering in beginsel tevens stilzwijgend geschieden.

 

De stilzwijgende oplevering zal blijken uit:

 

-     De volledige betaling zonder voorbehoud.

-     De inbezitneming van het gebouw, zonder enig voorbehoud.

-     De verhuring van het gebouw.

-     De bewoning van het winkelhuis, na renovatie, zonder voorbehoud en blijven stilzitten gedurende twee maanden na ontvangst factuur.

-     Het langdurig stilzitten na ontvangst van de factuur of ontdekking van het verborgen gebrek.

 

Deze gevallen zijn slechts vermoedens van stilzwijgende goedkeuring. De wil om goed te keuren zal moeten blijken uit de omstandigheden.

 

1.5. Gedwongen opneming

 

De aannemer kan steeds de bouwheer dagvaarden om over te gaan tot voorlopige of definitieve oplevering, eventueel na expertise, indien de bouwheer halsstarrig de oplevering weigert.

 

 

2. De tienjarige aansprakelijkheid

 

De tienjarige aansprakelijkheid vloeit voor uit twee belangrijke wetsartikelen:

 

Art. 1792 B.W.

 

"   Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende 10 jaar aansprakelijk."

 

Art. 2270 B.W.

 

"   Na verloop van 10 jaar zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid."

 

2.1. Verhouding tussen de artikelen 1792 en 2270 B.W.

 

Allereerst kan opgemerkt worden dat de twee voornoemde artikelen uitsluitend de aanneming van bouwwerken regelen, d.w.z. elk werk waarbij een bouwondernemer of een architect te pas komt.

 

Aangezien artikel 1792 B.W. enkel spreekt over "een gebouw tegen vaste prijs opgericht" meenden sommigen dat de artikelen een verschillend toepassingsgebied hadden.

 

Op vandaag aanvaarden rechtspraak en rechtsleer dat artikel 2270 B.W. slechts een herhaling is van artikel 1792 B.W. onder de titel van de verjaring. Aangezien artikel 2270 B.W. niet spreekt over vaste prijs moet de tienjarige aansprakelijkheid ook van toepassing worden geacht op de aannemingscontracten die niet tegen vaste prijs zijn afgesloten.

 

2.2. Wat valt onder toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid?

 

De tienjarige aansprakelijkheid geldt ten aanzien van aannemers en architecten.

 

De wet van 9 juli 1971 (Woningbouwwet, Wet Breyne, zie verder) heeft in zijn artikel 6 de hierboven geciteerde artikelen tevens van toepassing verklaard op de verkoper ("de promotor") van een in aanbouw zijnde of te bouwen woning.

 

2.3. De begrippen “gebouw” en “ grote werken” en het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een gebouw.

 

De notie "grote werken" is veel ruimer dan "gebouw".

 

De tienjarige aansprakelijkheid speelt niet enkel een rol bij de constructie van gebouwen, maar bij alle werken waarbij een beroep wordt gedaan op een aannemer of architect. Het begrip bouwonderneming dient ruim geïnterpreteerd te worden.

 

Afbraakwerken vallen niet onder de toepassing van artikel 1792 B.W.

 

Zo moeten als bouwwerk beschouwd worden: een bakkersoven, een brug, een dijk (in feite werken van burgerlijke bouwkunde in het algemeen), een tennisplein,…

 

Over de precieze aard van de gebreken die ressorteren onder de tienjarige aansprakelijkheid komt uit de rechtspraak en de rechtsleer een niet zo eenvormig beeld tot uiting.

Aannemer en architect blijven tien jaar aansprakelijk voor de gebreken die de stevigheid van het gebouw en van de hoofdbestanddelen of de steunpunten zelf aantasten of in gevaar brengen. In elk geval dient het om een ernstig gebrek te gaan.

 

Nochtans stelt men vast dat het begrip stevigheid of stabiliteit van het gebouw zeer ruim wordt geïnterpreteerd.

 

Het is niet noodzakelijk dat het gebouw is ingestort of dat de stabiliteit sensu strictu in het gedrang wordt gebracht.

 

Zo heeft men de toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid aanvaard in onder meer de volgende gevallen:

 

-   een verkeerd uitgevoerde riolering waardoor de kelder van een appartementsgebouw regelmatig onder water was komen te staan, wat uiteindelijk de stabiliteit van het gebouw zou aantasten;

-   het gebruik van slechte mortel;

-   verbrokkeling van stenen en cement in een muur ingevolge vochtinsijpeling;

-   onvoldoende verankering van een dak dat door een storm werd losgemaakt;

-   gebrek aan waterdichtheid van dak en kelder;

 

De tienjarige aansprakelijkheid werd onder meer niet aanvaard in volgende gevallen:

 

-   plaffoneringswerken

-   plaatsing van muurtegels

-   het loskomen van de bevloering

-   sanitaire installatie

 

2.4. Het vertrekpunt, de duur en de omvang van de tienjarige aansprakelijkheid

 

Ook betreffende het vertrekpunt van de tienjarige aansprakelijkheid heerst er grote rechtsonzekerheid.

 

Principieel begint de termijn van de tienjarige aansprakelijkheid te lopen vanaf de dag van de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van de werken, op voorwaarde dat de contracterende partijen niets anders zijn overeengekomen, of bij gebrek daaraan, vanaf de dag waarop de bouwheer werd aangemaand de werken te aanvaarden.

Dit wordt unaniem aanvaard door de rechtsleer en de rechtspraak als de oplevering plaats grijpt in één operatie.

 

Het Hof van Cassatie stelde in een arrest van 04/03/1977 dat de tienjarige aansprakelijkheid een aanvang neemt op de datum gesteld voor de definitieve inontvangstneming.

 

Een groot gedeelte van de rechtsleer kan zich met het standpunt en de motivering van het Hof van Cassatie niet akkoord verklaren, en vinden het aannemelijk dat de tienjarige termijn ingaat van zodra de voltooiing van het gebouw is vastgesteld - dit is de voorlopige oplevering - aangezien vanaf dit ogenblik de gebreken in de bouw en de ongeschiktheid van de grond zich kunnen manifesteren.

 

In de praktijk worden in de overeenkomsten zeer vaak clausules ingelast die uitdrukkelijk voorzien dat de tienjarige termijn van start gaat op de datum van de voorlopige oplevering. Deze clausules worden aanvaard als zijnde geldig.

 

3. De aansprakelijkheid buiten artikel 1792 B.W.

 

De vraag rijst hoe de aansprakelijkheid geregeld is voor de gebreken die niet het voorwerp uitmaken van de tienjarige aansprakelijkheid.

 

Het algemeen principe in verband met de aansprakelijkheid van de aannemer is duidelijk en wordt door niemand betwist: of het nu gaat om het optrekken van een gebouw of om een andere vorm van aanneming: hij blijft aansprakelijk bij slechte uitvoering.

 

De aannemer heeft zich ertoe verbonden een welbepaald werk uit te voeren volgens de plannen van de architect, de aanwijzingen van de bouwheer en de regels van de kunst; als hij in deze verplichtingen tekort schiet, begaat hij een contractuele fout waarvoor hij aansprakelijk kan worden gesteld.

 

De moeilijkheden en de tegenstrijdige opvattingen slaan op de vraag wanneer de aansprakelijkheid van de aannemer ophoudt, m.a.w. wanneer de aannemer van zijn aansprakelijkheid is ontlast.

 

Er worden 2 verschillende soorten gebreken onderscheiden:

 

  • De zichtbare gebreken: De aannemer is aansprakelijk voor de zichtbare gebreken tot op het ogenblik van de aanvaarding. Van zodra de bouwheer de werken heeft hij aanvaard, heeft hij ook de zichtbare gebreken aanvaard, en kan de aannemer hier niet meer aansprakelijk voor gehouden worden.

     

  • De verborgen gebreken: Dit zijn gebreken die niet zichtbaar zijn, en pas na verloop van tijd (en bij in gebruik neming van de werken) duidelijk worden voor de bouwheer. Er wordt aangenomen in rechtspraak en rechtsleer dat de aanvaarding van de werken niet de verborgen gebreken dekt (daar deze op het ogenblik van de aanvaarding niet gekend zijn door de bouwheer). De aannemer blijft dus ook na de aanvaarding van de werken (en na de definitieve oplevering) aansprakelijk voor de verborgen gebreken.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de aannemer tot 10 jaar na de aanvaarding van de werken aansprakelijk blijft voor de lichte verborgen gebreken. Het zou immers niet billijk zijn dat de aannemer voor de zware gebreken (art. 1792 BW) slechts 10 jaar aansprakelijk is, en voor de lichte verborgen gebreken langer dan 10 jaar.

 

4. De verhouding hoofdaannemer – onderaannemer – bouwheer

 

4.1. De wetsartikelen

 

Art. 1797 B.W.

 

        " De aannemer is aansprakelijk voor de daden van de persoon die hij bezigt."

 

Art. 1798 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers, gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij de aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

        De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde."

 

Art. 1799 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, slotenmakers en andere werklieden die rechtstreeks werken tegen vaste prijs zijn gehouden aan de regels in deze afdeling voorgeschreven. Zij zijn aannemers voor het werk dat zij uitvoeren."

 

 

4.2. De onderaanneming en artikel 1797 B.W.

 

De Belgische wetgever heeft het onderaannemingscontract niet gedefinieerd. In de Franse wet van 31 december 1975 (waarover verder meer) werd daar wel in voorzien.

 

Vrij vertaald komt deze definitie hierop neer:

 

"   De handeling waarbij de aannemer door middel van een onderaannemingscontract en onder zijn aansprakelijkheid aan een ander persoon, onderaannemer genoemd, een geheel of een gedeelte toevertrouwd van een aannemingscontract of een openbaar werk, gesloten met de bouwheer."

 

De onderaanneming voert drie personages ten tonele in twee handelingen, twee contracten:

 

-   de overeenkomst bouwheer-hoofdaannemer en

-   de overeenkomst hoofdaannemer-onderaannemer.

 

4.3. Kenmerken overeenkomst

 

Het onderaannemingscontract als modaliteit van het aannemingscontract wordt gekenmerkt door de onafhankelijkheid van de aannemer in de uitvoering van zijn werk. Uiteraard sluit dit niet uit dat er samenwerking bestaat tussen de contracterende partijen of algemene richtlijnen dienen gerespecteerd te worden of dat er controle wordt uitgevoerd door de hoofdaannemer.

 

Anderzijds is er toch de afhankelijkheid van plannen en technische specificaties gegeven door de opdrachtgever.

In essentie betekent de onderaanneming dus de opvolging van twee aannemingscontracten: het ene tussen de bouwheer en de hoofdaannemer, het andere tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer.

 

In de Belgische rechtspraak wordt hoofdzakelijk de autonomie van het onderaannemingscontract benadrukt.

Dit houdt in dat de hoofdaannemer, die een overeenkomst van onderaanneming heeft gesloten, contractueel jegens de onderaannemer gebonden blijft, ook al wordt het werk hem door de bouwheer niet gegund.

 

De onderaannemer kan in voorkomend geval een vordering tot ontbinding van de overeenkomst instellen en schadevergoeding vorderen.

 

Bepaalde auteurs bekritiseren deze stelling.

 

Naar Belgisch recht wordt het recht van de hoofdaannemer om onderaannemingscontracten te sluiten in principe niet afhankelijk gesteld van de voorafgaande toelating van de bouwheer.

 

Wel wordt de nadruk gelegd op de "eenheid van waarborg" van de hoofdaannemer jegens de opdrachtgever. Het intuïtu personae karakter dat aan een aantal aannemingscontracten wordt toegekend, ook in de bouw, dient eerder begrepen te worden vanuit de "persoonlijke en totale" waarborg die de hoofdaannemer op zich neemt, eerder dan in de persoonlijke uitvoering als dusdanig.

 

In de sector van de openbare werken evenwel lijkt de administratie de keuze van de onderaannemer wel te oriënteren, door strenge eisen te stellen op het vlak van de technische en financiële waarborgen, alsmede door het ontmoedigen van de hoofdaannemer om een beroep te doen op niet-geregistreerde onderaannemers.

 

 

4.4. Aansprakelijkheid van de hoofdaannemer

 

Overeenkomstig artikel 1797 B.W., als voormeld, is de hoofdaannemer ten aanzien van de bouwheer aansprakelijk voor de fouten welke de onderaannemer, waarop hij een beroep heeft gedaan, heeft gemaakt tijdens de uitvoering van de werken.

 

Uiteraard blijft de onderaannemer jegens de hoofdaannemer persoonlijk aansprakelijk voor de fouten die hij beging.

 

De fout van de onderaannemer maakt principieel geen overmacht uit, noch is zij een vreemde oorzaak voor de hoofdaannemer.

 

Bepaalde omstandigheden kunnen echter van aard zijn deze regel te nuanceren:

 

  • Ten eerste in het geval van bedrog van de onderaannemer waar de rechtspraak lijkt aan te nemen dat bedrog enkel aan de hoofdaannemer kan worden toegerekend voor zover het persoonlijk is.

     

  • Vervolgens stellen er zich vragen in die gevallen waar de onderaannemer een dermate gespecialiseerd beroep uitoefent, dat zelfs de hoofdaannemer ter zake niet in staat is om eventuele gebreken vast te stellen, laat staan om de oorzaken ervan aan te duiden. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in dergelijk geval de vordering van de bouwheer tegen de hoofdaannemer onontvankelijk verklaard.

     

  • Tot slot kan het geval worden aangehaald waar de keuze van een bepaald onderaannemer wordt opgelegd aan de hoofdaannemer. Ook in dergelijke, zeer precieze omstandigheden, lijkt de hoofdaannemer vrijuit te kunnen gaan bij vastgestelde fouten van de onderaannemer.

     

4.5. De verhouding hoofdaannemer - onderaannemer

 

Zoals voormeld zijn hoofd- en onderaannemingscontract principieel twee onderscheiden, autonome contracten.

 

De economische werkelijkheid is echter dat zij vaak zeer nauw verbonden zijn.

 

Zo stelt zich in het algemeen de vraag naar de toepasselijkheid op het onderaannemingscontract van clausules die voorzien zijn in het hoofdcontract.

 

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de tekst van artikel 1165 B.W. in herinnering worden gebracht. Krachtens dit artikel heeft de inhoud van een overeenkomst slechts uitwerking tussen de partijen.

 

Toegepast op de materie die hier behandeld wordt, heeft dit voor de hoofdaannemer het belangrijke gevolg dat alle bedingen die hem bepaalde verplichtingen opleggen in zijn hoofdaannemingsovereenkomst met de bouwheer, in principe niet tegenstelbaar zijn aan de onderaannemer, die er aldus normaal niet door gebonden is.

 

Voor de hoofdaannemer is het dan ook belangrijk om de clausules uit zijn contract met de bouwheer die hem bepaalde verplichtingen opleggen, op te nemen in zijn contract met de onderaannemer.

 

  • Zo wordt er dikwijls bepaald dat de betaling van de onderaannemer afhankelijk gesteld wordt van de betaling van de hoofdaannemer door de bouwheer.

     

    Hoewel een dergelijke clausule geldig is, laat zij toch een aanzienlijke ruimte voor misbruik, reden waarom de rechtspraak deze bepalingen restrictief interpreteert.

     

    Meestal wordt aangenomen dat het betalingsritme wel door voornoemde omstandigheid kan worden bepaald, maar niet het bestaan van de schuldvordering zelf en de uiteindelijke betaling ervan.

     

  • een analoog probleem stelt zich vaak inzake de clausules voor prijsherziening op grond van fluctuaties van kostprijzen voor lonen, grondstoffen, energie,…

     

    Als dergelijke clausule niet is opgenomen in het onderaannemingscontract kan de onderaannemer er zich principieel niet op beroepen. (Uitzondering: overheidsopdrachten, art. 53 van het KB van 12/04/1977.)

     

  • Ook met betrekking tot de oplevering van de werken is het probleem pertinent.

     

    De oplevering van de werken van de onderaannemer valt niet noodzakelijk samen met de oplevering van het ganse bouwwerk.

    De onderaannemer is trouwens in geen enkel opzicht gebonden door de vaststellingen van een proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering, waarbij hij geen partij was.

     

    De onderaannemer is trouwens niet meer aansprakelijk indien zijn werken stilzwijgend of uitdrukkelijk opgeleverd werden door de hoofdaannemer en indien de opdrachtgever later bij de oplevering door de hoofdaannemer nog eisen stelt betreffende de in onderaanneming uitgevoerde werken.

     

    Er kan echter bedongen worden dat de oplevering tussen onderaannemer en hoofdaannemer en de oplevering tussen hoofdaannemer en bouwheer gelijktijdig dient te geschieden. Dergelijke clausules zijn geldig maar uiteraard gevaarlijk voor de onderaannemer vermits op die manier het risico langer dan noodzakelijk bij hem blijft liggen.

     

  • Vele betwistingen vinden hun oorsprong in de toepassing van boeteclausules en boetes wegens vertraging in de beëindiging van de werken.

     

        Aan de ene kant is het ongetwijfeld juist dat de onderaannemer bij niet-uitvoering van zijn verbintenissen de consequenties in acht moet nemen van zijn wanprestatie op de verhouding hoofdaannemer-bouwheer. Hij zal in voorkomend geval gehouden zijn tot vergoeding van de integrale schade.

     

        Aan de andere kant is het echter wel zo dat de enkele kennisname door de onderaannemer van het bestaan van de hoofdovereenkomst niet tot gevolg heeft dat de bepalingen uit het contract hoofdaannemer-bouwheer op hem toepasselijk zouden zijn en hij verplicht zou zijn de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen na te leven.

     

     

4.6. De verhouding onderaannemer - bouwheer

 

●       Geen rechtstreekse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer

 

Onderaanneming doet in principe geen rechtsbetrekking tussen de bouwheer en de onderaannemer ontstaan.

 

Hoewel de onderaannemer een beperkte rechtstreekse vordering heeft in betaling van zijn arbeid en leveringen tegen de bouwheer (zie verder), heeft omgekeerd, de bouwheer geen rechtstreekse vordering tegen de onderaannemer voor uitvoering van het werk of voor eventueel geleden schade ten gevolge van slecht uitgevoerd werk.

 

Een en ander heeft voor gevolg dat bij insolventie of faillissement van de hoofdaannemer de bouwheer volledig in de kou komt te staan.

 

Enkel volgende vorderingen zijn mogelijk voor slecht uitgevoerd werk of voor schade:

 

-   De bouwheer tegen zijn hoofdaannemer.

-   De hoofdaannemer tegen zijn onderaannemer.

-   Een zijdelingse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer. (1166 BW)

-   Wanneer de onderaannemer door een strafmisdrijf of een burgerlijk misdrijf schade toebrengt aan het bouwwerk, kan de bouwheer op grond van onrechtmatige daad (art. 1382 B.W.) rechtstreeks tegen de onderaannemer optreden.

 

 

●        Wél een beperkte rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer

 

Dankzij art. 1798 BW heeft de onderaannemer wel een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer voor zijn onbetaalde prestaties.

 

De onderaannemer kan zich rechtstreeks richten tegen de bouwheer en kan van de bouwheer rechtstreeks betaling bekomen ten belope van hetgeen de bouwheer aan de hoofdaannemer verschuldigd is, op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld.

 

De schuldeisers van de onderaannemers hebben echter geen rechtstreekse vordering tegen de hoofdaannemer wegens het uitgevoerde werk en de gedane leveringen.

 

De werklieden van de onderaannemer kunnen de rechtstreekse vordering uit art. 1798 B.W. niet tegen de hoofdaannemer instellen

 

 

II. Huidige verzekeringssysteem voor aannemers bij bouwwerken en de toekomstige uitdaging van de verplichte verzekering voor aannemers.

 

Op 20 oktober 2016 keurde de Ministerraad een voorontwerp van wet goed, waarbij aannemers, architecten en andere actoren in de bouwsector zich verplicht zullen moeten verzekeren voor hun tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid. De nieuwe regelgeving zou in werking treden op 1 januari 2018.

 

De verplichting is beperkt tot werken in de woningbouw waarvoor de tussenkomst van een architect vereist is en tot de tienjarige aansprakelijkheid.

 

In uitvoering van artikel 38 van de Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsoverdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten dient de aannemer die meedingt naar een overheidsopdracht te bewijzen dat hij een verzekering heeft aangegaan:

 

1. tegen arbeidsongevallen;

2. tegen de ‘ burgerlijke aansprakelijkheid bij ongevallen die door de werken aan derden worden berokkend'.

 

Momenteel gelden er in België geen andere wettelijke verplichtingen die de aannemers ertoe verplichten een verzekering aan te gaan voor bouw- of renovatieprojecten.

 

Architecten daarentegen zijn deontologisch verplicht om hun beroepsaansprakelijkheid te laten verzekeren, voor veiligheidscoördinatoren voorziet art 65 van het KB van 25 januari 2001 in een verplichte verzekering tegen hun burgerlijke aansprakelijkheid.

 

Dat er op heden geen verplichte verzekering voor aannemers bestaat, neemt echter niet weg, dat gelet op de uitdagingen en aansprakelijkheden waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden, zich best goed laat verzekeren op eigen initiatief via een A.B.R. verzekering en / of een B.A. verzekering.

 

 

De verzekeringen in de bouwsector kunnen worden ingedeeld in twee grote categorieën.

 

Enerzijds de verzekering van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten:

 

- Burgerrechtelijke Aansprakelijkheid van de Bouwbedrijven;

- Beroepsaansprakelijkheid van Architecten, Ingenieurs enz

 

Anderzijds de verzekering van bepaalde goederen:

 

- Alle Risico's Bouwplaats;

- Tienjarige Aansprakelijkheid van Aannemers en Architecten met of zonder controle.

 

 

1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid.

De BA-verzekering dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de aannemer ten opzichte van derden die schade lijden veroorzaakt door de uitgevoerde werken.

Deze polis dekt enkel materiële en lichamelijke schade die door derden wordt geleden.

Derden zijn personen vreemd aan de uitvoering van het contract.

 

1.1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid

 

Verzekerde personen:

 

In de verzekeringen tegen de B.A. van de Ondernemingen worden de volgende personen als verzekerde beschouwd:

 

  • De verzekeringsnemer ( natuurlijke of rechtspersoon) ;
  • De persoon vermeld als bedrijfsleider in de bijzondere voorwaarden;
  • Indien de verzekeringsnemer een natuurlijk persoon is: de familieleden of degenen die bij hem inwonen, wanneer zij hulp bieden in de exploitatie van de onderneming;
  • De bestuurders, zaakvoerders, commissarissen en actieve vennoten in de uitoefening van hun functie;
  • De aangestelden: arbeiders, bedienden, leerjongens en niet bezoldigde helpers. Hierbij zijn eveneens begrepen de toevallige aangestelden die niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de verzekeringsnemer

Zij zijn verzekerd voor de gevolgen van elke schadeverwekkende gebeurtenis met de volgende kenmerken: plots, toevallig, abnormaal, onvrijwillig en onvoorzien.

 

- Verzekerde schade:

 

De verzekerde schade wordt onderverdeeld in lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële schade.

 

  • De lichamelijke schade behelst de gevolgen van letsels: medische kosten, inkomstenverlies, begroting van de invaliditeit of economische ongeschiktheid, morele en/of esthetische schade.

     

  • In de schade aan goederen zijn begrepen de noodzakelijke herstellings- of vervangingskosten of de eventuele minwaarde.

     

  • Het begrip immateriële schade is een specifeke verzekeringsnotie, en omvat de vermogensschade, andere dan de letselschade of de schade aan goederen. Hierin zijn begrepen de gebruiksderving, het verlies aan cliënteel, het productieverlies of de productievertraging, de winstderving enz.

     

- Omvang:

 

De tussenkomstlimieten worden doorgaans vastgesteld in de bijzondere voorwaarden. Zij worden toegepast per schadegeval en/of per verzekeringsjaar.

 

De verzekeringspolis voorziet in een plafond, waarboven geen dekking wordt verleend en een vrijstelling voor eigen risico.

 

Er wordt geen dekking verleend in geval van bedrog en grove schuld.

 

- Vrijstelling:

 

Eigen risico van de verzekerde, zijnde een vast bedrag of percentage van het schadebedrag, met doorgaans een minimum- en een maximumbedrag, dat kan verschillen volgen de oorzaak van de schade en éénmaal per schadegeval wordt afgetrokken.

 

- Uitsluitingen:

Bedrog, grove schuld, contractuele verzwaring ( verwijlboete, vrijwaringsbedingen)

 

 

1.2. B.A.- uitbating

 

- Dekking:

Het voorwerp van de verzekeringsactiviteit is de bescherming van het bedrijf tegen bepaalde, toevallige financiële risico's, meer bepaald  tegen de financiële gevolgen van aansprakelijkheden voor incidenten ontstaan ter gelegenheid van de uitvoering van de verzekerde activiteiten, met uitsluiting van de specifieke verbintenissen die betrekking hebben op het voorwerp van deze activiteiten. Doorgaans verzekeren de polissen de dekking van de 'burgerrechtelijke extracontractuele aansprakelijkheid' tegenover derden, zowel naar Belgisch als naar buitenlands recht.

De dekking wordt steeds beperkt tot de activiteiten omschreven in de bijzondere  voorwaarden van het verzekeringscontract. De nevenactiviteiten die verband houden met de verzekerde hoofdactiviteit kunnen eveneens in de dekking begrepen zijn.

 

- Omvang:

De verzekerde bedragen worden soms vastgesteld in de algemene voorwaarden. Meestal zijn zij echter terug te vinden in de bijzondere voorwaarden.

 

- Verzekerde schade:

De dekking behelst:

- de lichamelijke schade: alle gevolgen van letsels, zowel materieel als moreel;

- de 'materiele schade': de herstellings- of vervangingskosten ten gevolge van schade aan goederen;

- de immateriële schade: de zuiver financiële schade, al dan niet het gevolg van schade aan goederen.

 

- Uitsluitingen:

De dekking voor milieuverontreiniging, burenhinder, toevertrouwde voorwerpen en ongevallen met voertuigen, wordt in de polissen veelal beperkt of zelfs uitgesloten– de verzekerde doet er dus goed aan één en ander vooraf te bespreken met de makelaar bij de onderhandelingen over de verzekeringsovereenkomst.

 

 

1.3. Aansprakelijkheid na levering ( aansprakelijkheid voor producten en werken)

 

- De dekking :

De verzekering waarborgt de gevolgschade te wijten aan gebreken in de levering van goederen of in de uitvoering van werken. Er is sprake van levering vanaf het ogenblik waarop er zich feitelijk controleverlies voordoet.

De verzekering dekt de financiële gevolgen van de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade berokkend aan derden door producten na levering of werken na hun uitvoering.

De gedekte aansprakelijkheid betreft zowel de contractuele als de extracontractuele aansprakelijkheid, naar binnenlands of naar buitenlands recht.

 

- Omvang in tijd:

Doorgaans  geldt de dekking voor alle schadegevallen die zich voordoen tijdens de volledige duurtijd van de polis.

 

- Verzekerde schade:

De verzekering voorziet in de vergoeding van lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële gevolgschade tot een bepaald, in de polis voorzien bedrag. Zuiver immateriële schade is steeds uitgesloten.

 

- Uitsluitingen:

De verzekering ‘B.A. Na Levering' heeft nooit betrekking op de geleverde goederen zelf, en is beperkt tot de schade veroorzaakt door deze producten of werken. De tienjarige aansprakelijkheid is uitgesloten van dekking en ook schade die louter voortvloeit uit het feit dat de levering de functies niet vervult waarvoor ze bestemd is of het beoogde resultaat niet bereikt, valt niet onder de verzekeringsdekking.

 

2. A.B.R. Verzekering

 

De Belgische verzekeringsmarkt voorziet voor wat bouwwerken betreft in een keuze tussen twee polisconcepten.

 

Een eerste betreft de zgn. Controleverzekering.

 

De controleverzekering dekt enkel de schade door instorting en de erge verstoring, waardoor de stabiliteit van het bouwwerk wordt bedreigd.

 

Deze dekking is onderhevig aan de technische controle van een onafhankelijk controleorganisme en is beperkt tot de schade aan de gecontroleerde delen van het bouwwerk.

 

Naast deze formule bestaat ook de verzekering 'Alle Risico's Bouwplaats' die, omwille van haar doeltreffendheid, zich in België ontwikkeld heeft tot één van de voornaamste verzekeringsproducten voor de bouw.

 

Zowel wat de verzekerde goederen als wat de verzekerde partij betreft, biedt de A.B.R.-verzekering de meest uitgebreide dekking.

 

De verzekering wordt meestal onderschreven door één partij, bouwheer of aannemer, ten voordele van alle op de werf tussenkomende partijen. Bovendien wordt door een ABR verzekering alles wat niet uitgesloten is, gedekt.

 

De A.B.R.-verzekering kan op twee manieren worden onderschreven, hetzij voor een bijzonder werk, hetzij voor een reeks werken onder de vorm van een abonnementspolis.

 

De A.B.R.-verzekering heeft een dubbele doelstelling:

 

- De dekking van de materiële schade aan de werken en aan andere goederen die zich op de werf bevinden;( afdeling I)

 

- De dekking van de BA ten gevolge van lichamelijke en materiële schade veroorzaakt aan derden door de bouwwerken ( afdeling II).

 

De algemene voorwaarden zijn dan ook ingedeeld in twee luiken :enerzijds de zaakschade-, anderzijds de aansprakelijkheidsverzekering.

 

 

2.1. De zaakschadeverzekering

 

- Wat wordt gedekt:

In de ABR polis worden de definitief op te richten goederen, die het voorwerp uitmaken van de aannemingen en beschreven Borden in de bijzondere voorwaarden verzekerd.

 

Hierin zijn begrepen : de bouwwerken en de erin te verwerken bouwmaterialen en -elementen, evenals hun uitrustingen.

 

Als 'bouwwerken' kunnen zowel nieuwbouw als renovatiewerken verzekerd worden. Zij omvatten niet alleen de ruwbouw maar ook de afwerkingen zoals deuren en vensters, bepleistering, vloerbekleding, enz. De grond is niet verzekerd.

 

Alle gebeurtenissen die niet zijn uitgesloten zijn gedekt. De verzekerden zullen vergoed worden voor iedere beschadiging en ieder verlies van de verzekerde goederen te wijten onder meer aan natuurevenementen zoals, storm, aardbeving, overstroming of blikseminslag. Instorting of verzakking van het bouwwerk, grondverschuiving, vandalisme en diefstal van te verwerken materialen behoren eveneens tot de verzekerde gevaren.

 

Op vraag van de verzekerde kan de dekking worden uitgebreid tot goederen, die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en tot bestaande goederen die eigendom zijn van de bouwheer.

 

- Duur van de waarborg:

 

De polis maakt een onderscheid tussen de « bouw-montage- testtermijn » en de onderhoudstermijn.

 

De eerste begint te lopen op de aanvangsdatum van de polis en komt ten einde bij de eerste van volgende gebeurtenissen: voorlopige oplevering, ingebruikname of indienststelling en het einde van de in de bijzondere voorwaarden voorziene duur van de werken.

 

De tweede begint bij het einde van de eerste en komt ten einde na de termijn voorzien in de bijzondere voorwaarden.

 

Let wel : de dekking die tijdens de onderhoudstermijn wordt verleend, moet uitdrukkelijk worden omschreven in de algemene voorwaarden.

 

 

- Specifieke voorwaarden :

 

Om gedekt te zijn moet de schade voldoen aan een dubbele voorwaarde:

 

  • De schade moet te wijten zijn aan een schadeverwekkend feit dat zich op de bouwplaats heeft voorgedaan tijdens de bouw-, montage- of proeftermijn, en

     

  • De schade moet tijdens de in de bijzondere voorwaarden van de polis omschreven onderhoudstermijn worden vastgesteld.

     

2.2. Aansprakelijkheidsverzekering

 

De tweede afdeling is een facultatieve uitbreiding van de A.B.R.- polis.

 

Men kan enkel intekenen op dit luik in aanvulling op Afdeling I 'Schade en Verliezen'. ln de abonnementspolissen is deze uitbreiding meestal niet voorzien.

 

De dekking bevat belangrijke beperkingen en is niet bedoeld om de aansprakelijkheidsverzekeringen van de individuele deelnemers te vervangen. Zij moet eerder beschouwd worden als een overkoepelende aanvulling op deze verzekeringen.

 

De type-polis 1995 voorziet enkel een dekking tijdens de bouw-, montage-, proeftermijn. De verzekeraars zijn echter bereid deze dekking ook tijdens de onderhoudstermijn te voorzien, uiteraard enkel indien deze verzekeringstermijn in de dekking voorzien in Afdeling I is opgenomen.

 

- Wat wordt gedekt :

 

In A.B.R.-polissen kunnen de volgende waarborgen worden voorzien:

 

  • Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: de vergoeding van schade, die te wijten is aan de uitvoering op de bouwplaats van de verzekerde werken en waarvoor een verzekerde aansprakelijk wordt gesteld krachtens de artikelen 1382 tot 1386 B.W.;
  • Stoornis van nabuurschap : de aansprakelijkheid van de bouwheer voor schade aan derden die te wijten is aan het gebruik van zijn eigendomsrecht en die het gevolg is van de uitvoering van de verzekerde werken.

De aansprakelijkheidswaarborgen gelden slechts voor de lichamelijke letsels alsook voor de materiële schade en de rechtstreekse gevolgen van deze schade.

 

De zuiver immateriële schade is dus niet verzekerd.

 

Het betreft de economische gevolgschade, waaronder het verlies van marktaandelen of clienteel, de roerende of onroerende gebruiksderving, productieverlies, winstderving en dergelijke.

 

- Ten aanzien van welke personen :

De verzekering dekt enkel de schade aan derden.

 

Zijn geen derden volgens de polis : de bouwheer, de deelnemers aan de verzekerde werken (aannemers, architecten, enz.), de vennoten, bestuurders, zaakvoerders, commissarissen, mandatarissen en aangestelden van de verzekerden wanneer ze hun functies uitoefenen.

 

- Beperkingen :

Merk ook op dat bij samenloop van meerdere verzekeringen de A.B.R.-verzekering als aanvullend beschouwd wordt zodat de bestaande dekkingen 'BA-exploitatie' voorrang krijgen.

 

 <

Auteur

Frouke Diels

News & events

01/04/2017

De waterdichte verzekering van uw werken.

I. Aansprakelijkheid van de aannemer

 

Alvorens in te gaan op de diverse verzekeringen waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt, is het essentieel een overzicht weer te geven van de diverse verplichtingen die op u rusten tijdens de uitoefening van uw werkzaamheden.

 

1. Oplevering van de werken.

 

1.1 Algemeen

 

  • De oplevering van de werken behoort tot de verplichting van de aannemer, de opneming tot die van de bouwheer.

De aannemer moet het gebouw opleveren en de niet gebruikte stof die aan de bouwheer toebehoort aan hem teruggeven.

 

Niettegenstaande het feit dat de oplevering in de bouwprocedure zeer belangrijk is, heeft de wetgever de oplevering niet gedefinieerd noch de gevolgen ervan omschreven. Deze lacune zorgt in de rechtspraak en de rechtsleer voor een aanslepende discussie.

 

De Franse wetgever daarentegen heeft bij de wet van 4 januari 1978 (Journal Officiel 05/01/1978) in het kader van een globale hervorming van het aannemingsrecht de oplevering gedefinieerd in een nieuw artikel 1792-6):

 

"   … De oplevering is de rechtshandeling waardoor de opdrachtgever, met of zonder voorbehoud, het bouwwerk verklaart te aanvaarden. Zij gebeurt op vraag van de meest gerede partij, hetzij op minnelijke wijze, hetzij, bij gebreke hieraan, op gerechtelijke wijze. In elk geval wordt zij op tegenspraak uitgesproken..."

 

Belangrijk daarbij is dat de oplevering beperkt wordt tot één rechtshandeling (in tegenstelling tot het Belgisch recht waar men een dualistisch systeem kent van oplevering en opneming).

 

  • In het Belgisch recht is de oplevering aan geen vormvereisten gebonden. De oplevering kan zelfs stilzwijgend gebeuren en geschiedt in principe in één keer.

In de praktijk wordt echter in de meeste aannemingscontracten voorzien in een dubbele oplevering, namelijk een voorlopige en een definitieve oplevering.

 

De motivering van het systeem bestaat in hoofdzaak hierin dat men de aannemer slechts wilde ontheffen van zijn aansprakelijkheid nadat, na verloop van een zekere tijd en na een grondige controle, gebleken was dat de werken naar behoren werden uitgevoerd en het gebouw naar behoren functioneerde.

 

Een en ander werd trouwens wettelijk bevestigd in artikel 9 van de wet van 9 juli 1971 dat bepaalt: (zie verder, Wet Breyne)

 

"   De eindoplevering mag niet geschieden dan na verloop van één jaar sedert de voorlopige oplevering, met dien verstande dat de oplevering van de gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de toegangen, reeds heeft plaats gehad, zodat een normale bewoonbaarheid is verzekerd."

 

 

1.2. Voorlopige oplevering

 

  • De voorlopige oplevering als feitelijke verrichting:

De voorlopige oplevering heeft tot doel de voltooiing van het doel vast te stellen. Op zichzelf houdt de voorlopige oplevering geen aanvaarding in.

 

Feitelijk betekent de voorlopige oplevering dat de opdrachtgever het werk ter beschikking heeft gekregen.

 

De voorlopige oplevering is de aanvangsdatum voor de onderhoudstermijn, en dekt normaal de zichtbare (lichte) gebreken.

 

  •  De voorlopige oplevering als juridische verrichting:

De voorlopige oplevering is een vaststellingsovereenkomst tussen aannemer en bouwheer, bijgestaan door zijn architect. De oplevering van het uitgevoerde werk door de aannemer is juridisch gezien de betaling van zijn verbintenis, en de goedkeuring door de aanbesteder (de bouwheer).

 

In concreto betekent dit dat op een bepaalde dag partijen hun rondgang zullen doen in het gebouw om vast te stellen of de werken correct zijn uitgevoerd en eventueel laatst genoteerde gebreken zijn hersteld.

 

Met de goedkeuring van de bouwheer zal de aannemer van zijn verplichtingen zijn ontslagen, met uitzondering van bepaalde herstellingen die nog tijdens de overeengekomen onderhoudstermijn dienen te gebeuren.

 

De architect stelt een proces-verbaal van voorlopige oplevering op en zorgt ervoor dat alles op tegenspraak tussen partijen geschied. Aannemer, architect en bouwheer ondertekenen het P.V. van voorlopige oplevering.

 

  •  De gevolgen van de voorlopige oplevering:

In werkelijkheid houdt de voorlopige oplevering de goedkeuring in van het geleverde werk, onder voorbehoud.

 

De gevolgen van deze goedkeuring zijn:

 

1. Erkenning dat het werk werd uitgevoerd volgens de plannen en naar de regels van de kunst.

2. Zij dekt de zichtbare (lichte) gebreken waaromtrent geen opmerkingen werden gemaakt en voor zover deze niet erger worden tijdens de onderhoudstermijn (evenwel: Cass. 16 oktober 1969, Arr. Cass., 1970, 165 : de feitenrechter kan beslissen dat bij de voorlopige oplevering de bouwheer de zichtbare gebreken niet heeft uitgesloten).

3. Ze doet de onderhoudstermijn lopen tot aan de eindoplevering.

4. Het risico gaat over op de bouwheer.

5. Partijen kunnen bepalen dat de tienjarige aansprakelijkheid voor aannemer en architect beginnen te lopen (art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W.).

6. Er kunnen vanaf nu geen boetebedragen meer worden gevorderd wegens vertraagde oplevering.

7. Veelal zal de aannemer haast volledig zijn betaald.

8. Voor gebouwen waarop de woningbouwwet toepasselijk is, wordt de borgtocht per helften vrijgemaakt; de eerste helft bij de voorlopige oplevering, de tweede helft bij de definitieve oplevering (de verbintenis van borg eindigt bij de voorlopige oplevering).

 

Partijen kunnen nog andere gevolgen bepalen in hun overeenkomst en afhankelijk stellen van de voorlopige oplevering.

 

  • Weigering van de voorlopige oplevering:

De bouwheer heeft het recht de voorlopige oplevering te weigeren. Dit zal hij doen indien het werk niet voltooid is, of niet correct uitgevoerd naar regels van de plannen of naar regels van de kunst.

 

Kleine gebreken zijn echter geen reden om de voorlopige oplevering te weigeren. Ze kunnen in het P.V. worden aangestipt en worden hersteld tijdens de onderhoudstermijn.

 

 

1.3. Definitieve oplevering

 

  • Verloop:

     

    De eindoplevering is juridisch gezien een vaststellingsovereenkomst tussen de bouwheer, bijgestaan door zijn architect, enerzijds en de aannemer, anderzijds. Het houdt in dat voor de aannemer het werk geheel werd beëindigd en hij wordt ontslagen van al zijn verplichtingen.

     

    Op een vooraf bepaalde dag wordt de eindoplevering of definitieve oplevering gehouden. Dit betekent dat een overeenkomst wordt opgesteld ondertekend door alle partijen, waarin wordt gesteld dat alle herstellingen en kleine opmerkingen genoteerd tijdens de voorlopige oplevering, werden verholpen en dat de aannemer volledig ontslagen is van al zijn verdere verplichtingen.

     

    De onderhoudstermijn, tijdens dewelke de gebreken die zichtbaar waren tijdens de voorlopige oplevering of die nadien zichtbaar geworden zijn, dienden te worden hersteld, is dan voorbij.

     

  • Gevolgen:

     

    De eindoplevering heeft tot gevolg dat:

     

    1. De onderhoudstermijn wordt beëindigd en de onderhoudsverplichtingen van de aannemer worden beëindigd.

    2. De borgsom aan de aannemer moet worden terugbetaald.

    3. De aannemer recht heeft op betaling van (het saldo van) de eindafrekening.

    4. De garantieperiode van 10 jaar aansprakelijkheid begint te lopen voor aannemer en architect (zie bespreking verder).

    5. Het werk is uitgevoerd naar bestek en plannen en naar de regels van de kunst.

    6. De aannemer ontheven is van alle aansprakelijkheid voor alle zichtbare gebreken.

    7. De aannemer niet ontheven is van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken.

     

    Dit laatste wordt evenwel betwist door een gedeelte van de rechtsleer en rechtspraak. Sommigen zijn van oordeel dat de definitieve oplevering de aannemer tevens ontslaat van zijn aansprakelijkheid voor verborgen gebreken tenzij deze vallen onder de bepalingen van art. 1792 B.W. en art. 2270 B.W242.

     

    De eindoplevering ontheft de aannemer niet van de aansprakelijkheid t.a.v. derden voor fouten die hij bij de uitvoering van zijn werk heeft begaan (Cass. 18 mei 1961, R.W., 1961-62, 1561).

     

  • Weigering van de eindoplevering:

     

    Indien de gebreken die tijdens de onderhoudstermijn hadden moeten worden hersteld niet door de aannemer in orde zijn gebracht, heeft de bouwheer het recht de eindoplevering te weigeren.

     

    Evenwel kan de bouwheer, bij niet-herstelling van kleine gebreken en bij weigering van de aannemer te herstellen, een aftrek eisen van de aannemingssom als vergoeding.

     

1.4. Stilzwijgende goedkeuring

 

Vermits een bouwovereenkomst zelf zonder geschrift tot stand kan komen (voor private werken) kan de oplevering in beginsel tevens stilzwijgend geschieden.

 

De stilzwijgende oplevering zal blijken uit:

 

-     De volledige betaling zonder voorbehoud.

-     De inbezitneming van het gebouw, zonder enig voorbehoud.

-     De verhuring van het gebouw.

-     De bewoning van het winkelhuis, na renovatie, zonder voorbehoud en blijven stilzitten gedurende twee maanden na ontvangst factuur.

-     Het langdurig stilzitten na ontvangst van de factuur of ontdekking van het verborgen gebrek.

 

Deze gevallen zijn slechts vermoedens van stilzwijgende goedkeuring. De wil om goed te keuren zal moeten blijken uit de omstandigheden.

 

1.5. Gedwongen opneming

 

De aannemer kan steeds de bouwheer dagvaarden om over te gaan tot voorlopige of definitieve oplevering, eventueel na expertise, indien de bouwheer halsstarrig de oplevering weigert.

 

 

2. De tienjarige aansprakelijkheid

 

De tienjarige aansprakelijkheid vloeit voor uit twee belangrijke wetsartikelen:

 

Art. 1792 B.W.

 

"   Indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk teniet gaat door een gebrek in de bouw, zelfs door ongeschiktheid van de grond, zijn de architect en de aannemer daarvoor gedurende 10 jaar aansprakelijk."

 

Art. 2270 B.W.

 

"   Na verloop van 10 jaar zijn architecten en aannemers ontslagen van hun aansprakelijkheid met betrekking tot de grote werken die zij hebben uitgevoerd of geleid."

 

2.1. Verhouding tussen de artikelen 1792 en 2270 B.W.

 

Allereerst kan opgemerkt worden dat de twee voornoemde artikelen uitsluitend de aanneming van bouwwerken regelen, d.w.z. elk werk waarbij een bouwondernemer of een architect te pas komt.

 

Aangezien artikel 1792 B.W. enkel spreekt over "een gebouw tegen vaste prijs opgericht" meenden sommigen dat de artikelen een verschillend toepassingsgebied hadden.

 

Op vandaag aanvaarden rechtspraak en rechtsleer dat artikel 2270 B.W. slechts een herhaling is van artikel 1792 B.W. onder de titel van de verjaring. Aangezien artikel 2270 B.W. niet spreekt over vaste prijs moet de tienjarige aansprakelijkheid ook van toepassing worden geacht op de aannemingscontracten die niet tegen vaste prijs zijn afgesloten.

 

2.2. Wat valt onder toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid?

 

De tienjarige aansprakelijkheid geldt ten aanzien van aannemers en architecten.

 

De wet van 9 juli 1971 (Woningbouwwet, Wet Breyne, zie verder) heeft in zijn artikel 6 de hierboven geciteerde artikelen tevens van toepassing verklaard op de verkoper ("de promotor") van een in aanbouw zijnde of te bouwen woning.

 

2.3. De begrippen “gebouw” en “ grote werken” en het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een gebouw.

 

De notie "grote werken" is veel ruimer dan "gebouw".

 

De tienjarige aansprakelijkheid speelt niet enkel een rol bij de constructie van gebouwen, maar bij alle werken waarbij een beroep wordt gedaan op een aannemer of architect. Het begrip bouwonderneming dient ruim geïnterpreteerd te worden.

 

Afbraakwerken vallen niet onder de toepassing van artikel 1792 B.W.

 

Zo moeten als bouwwerk beschouwd worden: een bakkersoven, een brug, een dijk (in feite werken van burgerlijke bouwkunde in het algemeen), een tennisplein,…

 

Over de precieze aard van de gebreken die ressorteren onder de tienjarige aansprakelijkheid komt uit de rechtspraak en de rechtsleer een niet zo eenvormig beeld tot uiting.

Aannemer en architect blijven tien jaar aansprakelijk voor de gebreken die de stevigheid van het gebouw en van de hoofdbestanddelen of de steunpunten zelf aantasten of in gevaar brengen. In elk geval dient het om een ernstig gebrek te gaan.

 

Nochtans stelt men vast dat het begrip stevigheid of stabiliteit van het gebouw zeer ruim wordt geïnterpreteerd.

 

Het is niet noodzakelijk dat het gebouw is ingestort of dat de stabiliteit sensu strictu in het gedrang wordt gebracht.

 

Zo heeft men de toepassing van de tienjarige aansprakelijkheid aanvaard in onder meer de volgende gevallen:

 

-   een verkeerd uitgevoerde riolering waardoor de kelder van een appartementsgebouw regelmatig onder water was komen te staan, wat uiteindelijk de stabiliteit van het gebouw zou aantasten;

-   het gebruik van slechte mortel;

-   verbrokkeling van stenen en cement in een muur ingevolge vochtinsijpeling;

-   onvoldoende verankering van een dak dat door een storm werd losgemaakt;

-   gebrek aan waterdichtheid van dak en kelder;

 

De tienjarige aansprakelijkheid werd onder meer niet aanvaard in volgende gevallen:

 

-   plaffoneringswerken

-   plaatsing van muurtegels

-   het loskomen van de bevloering

-   sanitaire installatie

 

2.4. Het vertrekpunt, de duur en de omvang van de tienjarige aansprakelijkheid

 

Ook betreffende het vertrekpunt van de tienjarige aansprakelijkheid heerst er grote rechtsonzekerheid.

 

Principieel begint de termijn van de tienjarige aansprakelijkheid te lopen vanaf de dag van de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van de werken, op voorwaarde dat de contracterende partijen niets anders zijn overeengekomen, of bij gebrek daaraan, vanaf de dag waarop de bouwheer werd aangemaand de werken te aanvaarden.

Dit wordt unaniem aanvaard door de rechtsleer en de rechtspraak als de oplevering plaats grijpt in één operatie.

 

Het Hof van Cassatie stelde in een arrest van 04/03/1977 dat de tienjarige aansprakelijkheid een aanvang neemt op de datum gesteld voor de definitieve inontvangstneming.

 

Een groot gedeelte van de rechtsleer kan zich met het standpunt en de motivering van het Hof van Cassatie niet akkoord verklaren, en vinden het aannemelijk dat de tienjarige termijn ingaat van zodra de voltooiing van het gebouw is vastgesteld - dit is de voorlopige oplevering - aangezien vanaf dit ogenblik de gebreken in de bouw en de ongeschiktheid van de grond zich kunnen manifesteren.

 

In de praktijk worden in de overeenkomsten zeer vaak clausules ingelast die uitdrukkelijk voorzien dat de tienjarige termijn van start gaat op de datum van de voorlopige oplevering. Deze clausules worden aanvaard als zijnde geldig.

 

3. De aansprakelijkheid buiten artikel 1792 B.W.

 

De vraag rijst hoe de aansprakelijkheid geregeld is voor de gebreken die niet het voorwerp uitmaken van de tienjarige aansprakelijkheid.

 

Het algemeen principe in verband met de aansprakelijkheid van de aannemer is duidelijk en wordt door niemand betwist: of het nu gaat om het optrekken van een gebouw of om een andere vorm van aanneming: hij blijft aansprakelijk bij slechte uitvoering.

 

De aannemer heeft zich ertoe verbonden een welbepaald werk uit te voeren volgens de plannen van de architect, de aanwijzingen van de bouwheer en de regels van de kunst; als hij in deze verplichtingen tekort schiet, begaat hij een contractuele fout waarvoor hij aansprakelijk kan worden gesteld.

 

De moeilijkheden en de tegenstrijdige opvattingen slaan op de vraag wanneer de aansprakelijkheid van de aannemer ophoudt, m.a.w. wanneer de aannemer van zijn aansprakelijkheid is ontlast.

 

Er worden 2 verschillende soorten gebreken onderscheiden:

 

  • De zichtbare gebreken: De aannemer is aansprakelijk voor de zichtbare gebreken tot op het ogenblik van de aanvaarding. Van zodra de bouwheer de werken heeft hij aanvaard, heeft hij ook de zichtbare gebreken aanvaard, en kan de aannemer hier niet meer aansprakelijk voor gehouden worden.

     

  • De verborgen gebreken: Dit zijn gebreken die niet zichtbaar zijn, en pas na verloop van tijd (en bij in gebruik neming van de werken) duidelijk worden voor de bouwheer. Er wordt aangenomen in rechtspraak en rechtsleer dat de aanvaarding van de werken niet de verborgen gebreken dekt (daar deze op het ogenblik van de aanvaarding niet gekend zijn door de bouwheer). De aannemer blijft dus ook na de aanvaarding van de werken (en na de definitieve oplevering) aansprakelijk voor de verborgen gebreken.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de aannemer tot 10 jaar na de aanvaarding van de werken aansprakelijk blijft voor de lichte verborgen gebreken. Het zou immers niet billijk zijn dat de aannemer voor de zware gebreken (art. 1792 BW) slechts 10 jaar aansprakelijk is, en voor de lichte verborgen gebreken langer dan 10 jaar.

 

4. De verhouding hoofdaannemer – onderaannemer – bouwheer

 

4.1. De wetsartikelen

 

Art. 1797 B.W.

 

        " De aannemer is aansprakelijk voor de daden van de persoon die hij bezigt."

 

Art. 1798 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers, gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij de aanneming zijn uitgevoerd, hebben tegen de bouwheer een rechtstreekse vordering ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is op het ogenblik dat hun rechtsvordering wordt ingesteld.

        De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde."

 

Art. 1799 B.W.

 

"      Metselaars, timmerlieden, slotenmakers en andere werklieden die rechtstreeks werken tegen vaste prijs zijn gehouden aan de regels in deze afdeling voorgeschreven. Zij zijn aannemers voor het werk dat zij uitvoeren."

 

 

4.2. De onderaanneming en artikel 1797 B.W.

 

De Belgische wetgever heeft het onderaannemingscontract niet gedefinieerd. In de Franse wet van 31 december 1975 (waarover verder meer) werd daar wel in voorzien.

 

Vrij vertaald komt deze definitie hierop neer:

 

"   De handeling waarbij de aannemer door middel van een onderaannemingscontract en onder zijn aansprakelijkheid aan een ander persoon, onderaannemer genoemd, een geheel of een gedeelte toevertrouwd van een aannemingscontract of een openbaar werk, gesloten met de bouwheer."

 

De onderaanneming voert drie personages ten tonele in twee handelingen, twee contracten:

 

-   de overeenkomst bouwheer-hoofdaannemer en

-   de overeenkomst hoofdaannemer-onderaannemer.

 

4.3. Kenmerken overeenkomst

 

Het onderaannemingscontract als modaliteit van het aannemingscontract wordt gekenmerkt door de onafhankelijkheid van de aannemer in de uitvoering van zijn werk. Uiteraard sluit dit niet uit dat er samenwerking bestaat tussen de contracterende partijen of algemene richtlijnen dienen gerespecteerd te worden of dat er controle wordt uitgevoerd door de hoofdaannemer.

 

Anderzijds is er toch de afhankelijkheid van plannen en technische specificaties gegeven door de opdrachtgever.

In essentie betekent de onderaanneming dus de opvolging van twee aannemingscontracten: het ene tussen de bouwheer en de hoofdaannemer, het andere tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer.

 

In de Belgische rechtspraak wordt hoofdzakelijk de autonomie van het onderaannemingscontract benadrukt.

Dit houdt in dat de hoofdaannemer, die een overeenkomst van onderaanneming heeft gesloten, contractueel jegens de onderaannemer gebonden blijft, ook al wordt het werk hem door de bouwheer niet gegund.

 

De onderaannemer kan in voorkomend geval een vordering tot ontbinding van de overeenkomst instellen en schadevergoeding vorderen.

 

Bepaalde auteurs bekritiseren deze stelling.

 

Naar Belgisch recht wordt het recht van de hoofdaannemer om onderaannemingscontracten te sluiten in principe niet afhankelijk gesteld van de voorafgaande toelating van de bouwheer.

 

Wel wordt de nadruk gelegd op de "eenheid van waarborg" van de hoofdaannemer jegens de opdrachtgever. Het intuïtu personae karakter dat aan een aantal aannemingscontracten wordt toegekend, ook in de bouw, dient eerder begrepen te worden vanuit de "persoonlijke en totale" waarborg die de hoofdaannemer op zich neemt, eerder dan in de persoonlijke uitvoering als dusdanig.

 

In de sector van de openbare werken evenwel lijkt de administratie de keuze van de onderaannemer wel te oriënteren, door strenge eisen te stellen op het vlak van de technische en financiële waarborgen, alsmede door het ontmoedigen van de hoofdaannemer om een beroep te doen op niet-geregistreerde onderaannemers.

 

 

4.4. Aansprakelijkheid van de hoofdaannemer

 

Overeenkomstig artikel 1797 B.W., als voormeld, is de hoofdaannemer ten aanzien van de bouwheer aansprakelijk voor de fouten welke de onderaannemer, waarop hij een beroep heeft gedaan, heeft gemaakt tijdens de uitvoering van de werken.

 

Uiteraard blijft de onderaannemer jegens de hoofdaannemer persoonlijk aansprakelijk voor de fouten die hij beging.

 

De fout van de onderaannemer maakt principieel geen overmacht uit, noch is zij een vreemde oorzaak voor de hoofdaannemer.

 

Bepaalde omstandigheden kunnen echter van aard zijn deze regel te nuanceren:

 

  • Ten eerste in het geval van bedrog van de onderaannemer waar de rechtspraak lijkt aan te nemen dat bedrog enkel aan de hoofdaannemer kan worden toegerekend voor zover het persoonlijk is.

     

  • Vervolgens stellen er zich vragen in die gevallen waar de onderaannemer een dermate gespecialiseerd beroep uitoefent, dat zelfs de hoofdaannemer ter zake niet in staat is om eventuele gebreken vast te stellen, laat staan om de oorzaken ervan aan te duiden. Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in dergelijk geval de vordering van de bouwheer tegen de hoofdaannemer onontvankelijk verklaard.

     

  • Tot slot kan het geval worden aangehaald waar de keuze van een bepaald onderaannemer wordt opgelegd aan de hoofdaannemer. Ook in dergelijke, zeer precieze omstandigheden, lijkt de hoofdaannemer vrijuit te kunnen gaan bij vastgestelde fouten van de onderaannemer.

     

4.5. De verhouding hoofdaannemer - onderaannemer

 

Zoals voormeld zijn hoofd- en onderaannemingscontract principieel twee onderscheiden, autonome contracten.

 

De economische werkelijkheid is echter dat zij vaak zeer nauw verbonden zijn.

 

Zo stelt zich in het algemeen de vraag naar de toepasselijkheid op het onderaannemingscontract van clausules die voorzien zijn in het hoofdcontract.

 

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de tekst van artikel 1165 B.W. in herinnering worden gebracht. Krachtens dit artikel heeft de inhoud van een overeenkomst slechts uitwerking tussen de partijen.

 

Toegepast op de materie die hier behandeld wordt, heeft dit voor de hoofdaannemer het belangrijke gevolg dat alle bedingen die hem bepaalde verplichtingen opleggen in zijn hoofdaannemingsovereenkomst met de bouwheer, in principe niet tegenstelbaar zijn aan de onderaannemer, die er aldus normaal niet door gebonden is.

 

Voor de hoofdaannemer is het dan ook belangrijk om de clausules uit zijn contract met de bouwheer die hem bepaalde verplichtingen opleggen, op te nemen in zijn contract met de onderaannemer.

 

  • Zo wordt er dikwijls bepaald dat de betaling van de onderaannemer afhankelijk gesteld wordt van de betaling van de hoofdaannemer door de bouwheer.

     

    Hoewel een dergelijke clausule geldig is, laat zij toch een aanzienlijke ruimte voor misbruik, reden waarom de rechtspraak deze bepalingen restrictief interpreteert.

     

    Meestal wordt aangenomen dat het betalingsritme wel door voornoemde omstandigheid kan worden bepaald, maar niet het bestaan van de schuldvordering zelf en de uiteindelijke betaling ervan.

     

  • een analoog probleem stelt zich vaak inzake de clausules voor prijsherziening op grond van fluctuaties van kostprijzen voor lonen, grondstoffen, energie,…

     

    Als dergelijke clausule niet is opgenomen in het onderaannemingscontract kan de onderaannemer er zich principieel niet op beroepen. (Uitzondering: overheidsopdrachten, art. 53 van het KB van 12/04/1977.)

     

  • Ook met betrekking tot de oplevering van de werken is het probleem pertinent.

     

    De oplevering van de werken van de onderaannemer valt niet noodzakelijk samen met de oplevering van het ganse bouwwerk.

    De onderaannemer is trouwens in geen enkel opzicht gebonden door de vaststellingen van een proces-verbaal van voorlopige of definitieve oplevering, waarbij hij geen partij was.

     

    De onderaannemer is trouwens niet meer aansprakelijk indien zijn werken stilzwijgend of uitdrukkelijk opgeleverd werden door de hoofdaannemer en indien de opdrachtgever later bij de oplevering door de hoofdaannemer nog eisen stelt betreffende de in onderaanneming uitgevoerde werken.

     

    Er kan echter bedongen worden dat de oplevering tussen onderaannemer en hoofdaannemer en de oplevering tussen hoofdaannemer en bouwheer gelijktijdig dient te geschieden. Dergelijke clausules zijn geldig maar uiteraard gevaarlijk voor de onderaannemer vermits op die manier het risico langer dan noodzakelijk bij hem blijft liggen.

     

  • Vele betwistingen vinden hun oorsprong in de toepassing van boeteclausules en boetes wegens vertraging in de beëindiging van de werken.

     

        Aan de ene kant is het ongetwijfeld juist dat de onderaannemer bij niet-uitvoering van zijn verbintenissen de consequenties in acht moet nemen van zijn wanprestatie op de verhouding hoofdaannemer-bouwheer. Hij zal in voorkomend geval gehouden zijn tot vergoeding van de integrale schade.

     

        Aan de andere kant is het echter wel zo dat de enkele kennisname door de onderaannemer van het bestaan van de hoofdovereenkomst niet tot gevolg heeft dat de bepalingen uit het contract hoofdaannemer-bouwheer op hem toepasselijk zouden zijn en hij verplicht zou zijn de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen na te leven.

     

     

4.6. De verhouding onderaannemer - bouwheer

 

●       Geen rechtstreekse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer

 

Onderaanneming doet in principe geen rechtsbetrekking tussen de bouwheer en de onderaannemer ontstaan.

 

Hoewel de onderaannemer een beperkte rechtstreekse vordering heeft in betaling van zijn arbeid en leveringen tegen de bouwheer (zie verder), heeft omgekeerd, de bouwheer geen rechtstreekse vordering tegen de onderaannemer voor uitvoering van het werk of voor eventueel geleden schade ten gevolge van slecht uitgevoerd werk.

 

Een en ander heeft voor gevolg dat bij insolventie of faillissement van de hoofdaannemer de bouwheer volledig in de kou komt te staan.

 

Enkel volgende vorderingen zijn mogelijk voor slecht uitgevoerd werk of voor schade:

 

-   De bouwheer tegen zijn hoofdaannemer.

-   De hoofdaannemer tegen zijn onderaannemer.

-   Een zijdelingse vordering van de bouwheer tegen de onderaannemer. (1166 BW)

-   Wanneer de onderaannemer door een strafmisdrijf of een burgerlijk misdrijf schade toebrengt aan het bouwwerk, kan de bouwheer op grond van onrechtmatige daad (art. 1382 B.W.) rechtstreeks tegen de onderaannemer optreden.

 

 

●        Wél een beperkte rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer

 

Dankzij art. 1798 BW heeft de onderaannemer wel een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer voor zijn onbetaalde prestaties.

 

De onderaannemer kan zich rechtstreeks richten tegen de bouwheer en kan van de bouwheer rechtstreeks betaling bekomen ten belope van hetgeen de bouwheer aan de hoofdaannemer verschuldigd is, op het ogenblik dat de vordering wordt ingesteld.

 

De schuldeisers van de onderaannemers hebben echter geen rechtstreekse vordering tegen de hoofdaannemer wegens het uitgevoerde werk en de gedane leveringen.

 

De werklieden van de onderaannemer kunnen de rechtstreekse vordering uit art. 1798 B.W. niet tegen de hoofdaannemer instellen

 

 

II. Huidige verzekeringssysteem voor aannemers bij bouwwerken en de toekomstige uitdaging van de verplichte verzekering voor aannemers.

 

Op 20 oktober 2016 keurde de Ministerraad een voorontwerp van wet goed, waarbij aannemers, architecten en andere actoren in de bouwsector zich verplicht zullen moeten verzekeren voor hun tienjarige burgerlijke aansprakelijkheid. De nieuwe regelgeving zou in werking treden op 1 januari 2018.

 

De verplichting is beperkt tot werken in de woningbouw waarvoor de tussenkomst van een architect vereist is en tot de tienjarige aansprakelijkheid.

 

In uitvoering van artikel 38 van de Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsoverdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten dient de aannemer die meedingt naar een overheidsopdracht te bewijzen dat hij een verzekering heeft aangegaan:

 

1. tegen arbeidsongevallen;

2. tegen de ‘ burgerlijke aansprakelijkheid bij ongevallen die door de werken aan derden worden berokkend'.

 

Momenteel gelden er in België geen andere wettelijke verplichtingen die de aannemers ertoe verplichten een verzekering aan te gaan voor bouw- of renovatieprojecten.

 

Architecten daarentegen zijn deontologisch verplicht om hun beroepsaansprakelijkheid te laten verzekeren, voor veiligheidscoördinatoren voorziet art 65 van het KB van 25 januari 2001 in een verplichte verzekering tegen hun burgerlijke aansprakelijkheid.

 

Dat er op heden geen verplichte verzekering voor aannemers bestaat, neemt echter niet weg, dat gelet op de uitdagingen en aansprakelijkheden waarmede u als aannemer geconfronteerd wordt bij de uitvoering van bouwwerkzaamheden, zich best goed laat verzekeren op eigen initiatief via een A.B.R. verzekering en / of een B.A. verzekering.

 

 

De verzekeringen in de bouwsector kunnen worden ingedeeld in twee grote categorieën.

 

Enerzijds de verzekering van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten:

 

- Burgerrechtelijke Aansprakelijkheid van de Bouwbedrijven;

- Beroepsaansprakelijkheid van Architecten, Ingenieurs enz

 

Anderzijds de verzekering van bepaalde goederen:

 

- Alle Risico's Bouwplaats;

- Tienjarige Aansprakelijkheid van Aannemers en Architecten met of zonder controle.

 

 

1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid.

De BA-verzekering dekt de burgerlijke aansprakelijkheid van de aannemer ten opzichte van derden die schade lijden veroorzaakt door de uitgevoerde werken.

Deze polis dekt enkel materiële en lichamelijke schade die door derden wordt geleden.

Derden zijn personen vreemd aan de uitvoering van het contract.

 

1.1. Verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid

 

Verzekerde personen:

 

In de verzekeringen tegen de B.A. van de Ondernemingen worden de volgende personen als verzekerde beschouwd:

 

  • De verzekeringsnemer ( natuurlijke of rechtspersoon) ;
  • De persoon vermeld als bedrijfsleider in de bijzondere voorwaarden;
  • Indien de verzekeringsnemer een natuurlijk persoon is: de familieleden of degenen die bij hem inwonen, wanneer zij hulp bieden in de exploitatie van de onderneming;
  • De bestuurders, zaakvoerders, commissarissen en actieve vennoten in de uitoefening van hun functie;
  • De aangestelden: arbeiders, bedienden, leerjongens en niet bezoldigde helpers. Hierbij zijn eveneens begrepen de toevallige aangestelden die niet gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst met de verzekeringsnemer

Zij zijn verzekerd voor de gevolgen van elke schadeverwekkende gebeurtenis met de volgende kenmerken: plots, toevallig, abnormaal, onvrijwillig en onvoorzien.

 

- Verzekerde schade:

 

De verzekerde schade wordt onderverdeeld in lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële schade.

 

  • De lichamelijke schade behelst de gevolgen van letsels: medische kosten, inkomstenverlies, begroting van de invaliditeit of economische ongeschiktheid, morele en/of esthetische schade.

     

  • In de schade aan goederen zijn begrepen de noodzakelijke herstellings- of vervangingskosten of de eventuele minwaarde.

     

  • Het begrip immateriële schade is een specifeke verzekeringsnotie, en omvat de vermogensschade, andere dan de letselschade of de schade aan goederen. Hierin zijn begrepen de gebruiksderving, het verlies aan cliënteel, het productieverlies of de productievertraging, de winstderving enz.

     

- Omvang:

 

De tussenkomstlimieten worden doorgaans vastgesteld in de bijzondere voorwaarden. Zij worden toegepast per schadegeval en/of per verzekeringsjaar.

 

De verzekeringspolis voorziet in een plafond, waarboven geen dekking wordt verleend en een vrijstelling voor eigen risico.

 

Er wordt geen dekking verleend in geval van bedrog en grove schuld.

 

- Vrijstelling:

 

Eigen risico van de verzekerde, zijnde een vast bedrag of percentage van het schadebedrag, met doorgaans een minimum- en een maximumbedrag, dat kan verschillen volgen de oorzaak van de schade en éénmaal per schadegeval wordt afgetrokken.

 

- Uitsluitingen:

Bedrog, grove schuld, contractuele verzwaring ( verwijlboete, vrijwaringsbedingen)

 

 

1.2. B.A.- uitbating

 

- Dekking:

Het voorwerp van de verzekeringsactiviteit is de bescherming van het bedrijf tegen bepaalde, toevallige financiële risico's, meer bepaald  tegen de financiële gevolgen van aansprakelijkheden voor incidenten ontstaan ter gelegenheid van de uitvoering van de verzekerde activiteiten, met uitsluiting van de specifieke verbintenissen die betrekking hebben op het voorwerp van deze activiteiten. Doorgaans verzekeren de polissen de dekking van de 'burgerrechtelijke extracontractuele aansprakelijkheid' tegenover derden, zowel naar Belgisch als naar buitenlands recht.

De dekking wordt steeds beperkt tot de activiteiten omschreven in de bijzondere  voorwaarden van het verzekeringscontract. De nevenactiviteiten die verband houden met de verzekerde hoofdactiviteit kunnen eveneens in de dekking begrepen zijn.

 

- Omvang:

De verzekerde bedragen worden soms vastgesteld in de algemene voorwaarden. Meestal zijn zij echter terug te vinden in de bijzondere voorwaarden.

 

- Verzekerde schade:

De dekking behelst:

- de lichamelijke schade: alle gevolgen van letsels, zowel materieel als moreel;

- de 'materiele schade': de herstellings- of vervangingskosten ten gevolge van schade aan goederen;

- de immateriële schade: de zuiver financiële schade, al dan niet het gevolg van schade aan goederen.

 

- Uitsluitingen:

De dekking voor milieuverontreiniging, burenhinder, toevertrouwde voorwerpen en ongevallen met voertuigen, wordt in de polissen veelal beperkt of zelfs uitgesloten– de verzekerde doet er dus goed aan één en ander vooraf te bespreken met de makelaar bij de onderhandelingen over de verzekeringsovereenkomst.

 

 

1.3. Aansprakelijkheid na levering ( aansprakelijkheid voor producten en werken)

 

- De dekking :

De verzekering waarborgt de gevolgschade te wijten aan gebreken in de levering van goederen of in de uitvoering van werken. Er is sprake van levering vanaf het ogenblik waarop er zich feitelijk controleverlies voordoet.

De verzekering dekt de financiële gevolgen van de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade berokkend aan derden door producten na levering of werken na hun uitvoering.

De gedekte aansprakelijkheid betreft zowel de contractuele als de extracontractuele aansprakelijkheid, naar binnenlands of naar buitenlands recht.

 

- Omvang in tijd:

Doorgaans  geldt de dekking voor alle schadegevallen die zich voordoen tijdens de volledige duurtijd van de polis.

 

- Verzekerde schade:

De verzekering voorziet in de vergoeding van lichamelijke schade, schade aan goederen en immateriële gevolgschade tot een bepaald, in de polis voorzien bedrag. Zuiver immateriële schade is steeds uitgesloten.

 

- Uitsluitingen:

De verzekering ‘B.A. Na Levering' heeft nooit betrekking op de geleverde goederen zelf, en is beperkt tot de schade veroorzaakt door deze producten of werken. De tienjarige aansprakelijkheid is uitgesloten van dekking en ook schade die louter voortvloeit uit het feit dat de levering de functies niet vervult waarvoor ze bestemd is of het beoogde resultaat niet bereikt, valt niet onder de verzekeringsdekking.

 

2. A.B.R. Verzekering

 

De Belgische verzekeringsmarkt voorziet voor wat bouwwerken betreft in een keuze tussen twee polisconcepten.

 

Een eerste betreft de zgn. Controleverzekering.

 

De controleverzekering dekt enkel de schade door instorting en de erge verstoring, waardoor de stabiliteit van het bouwwerk wordt bedreigd.

 

Deze dekking is onderhevig aan de technische controle van een onafhankelijk controleorganisme en is beperkt tot de schade aan de gecontroleerde delen van het bouwwerk.

 

Naast deze formule bestaat ook de verzekering 'Alle Risico's Bouwplaats' die, omwille van haar doeltreffendheid, zich in België ontwikkeld heeft tot één van de voornaamste verzekeringsproducten voor de bouw.

 

Zowel wat de verzekerde goederen als wat de verzekerde partij betreft, biedt de A.B.R.-verzekering de meest uitgebreide dekking.

 

De verzekering wordt meestal onderschreven door één partij, bouwheer of aannemer, ten voordele van alle op de werf tussenkomende partijen. Bovendien wordt door een ABR verzekering alles wat niet uitgesloten is, gedekt.

 

De A.B.R.-verzekering kan op twee manieren worden onderschreven, hetzij voor een bijzonder werk, hetzij voor een reeks werken onder de vorm van een abonnementspolis.

 

De A.B.R.-verzekering heeft een dubbele doelstelling:

 

- De dekking van de materiële schade aan de werken en aan andere goederen die zich op de werf bevinden;( afdeling I)

 

- De dekking van de BA ten gevolge van lichamelijke en materiële schade veroorzaakt aan derden door de bouwwerken ( afdeling II).

 

De algemene voorwaarden zijn dan ook ingedeeld in twee luiken :enerzijds de zaakschade-, anderzijds de aansprakelijkheidsverzekering.

 

 

2.1. De zaakschadeverzekering

 

- Wat wordt gedekt:

In de ABR polis worden de definitief op te richten goederen, die het voorwerp uitmaken van de aannemingen en beschreven Borden in de bijzondere voorwaarden verzekerd.

 

Hierin zijn begrepen : de bouwwerken en de erin te verwerken bouwmaterialen en -elementen, evenals hun uitrustingen.

 

Als 'bouwwerken' kunnen zowel nieuwbouw als renovatiewerken verzekerd worden. Zij omvatten niet alleen de ruwbouw maar ook de afwerkingen zoals deuren en vensters, bepleistering, vloerbekleding, enz. De grond is niet verzekerd.

 

Alle gebeurtenissen die niet zijn uitgesloten zijn gedekt. De verzekerden zullen vergoed worden voor iedere beschadiging en ieder verlies van de verzekerde goederen te wijten onder meer aan natuurevenementen zoals, storm, aardbeving, overstroming of blikseminslag. Instorting of verzakking van het bouwwerk, grondverschuiving, vandalisme en diefstal van te verwerken materialen behoren eveneens tot de verzekerde gevaren.

 

Op vraag van de verzekerde kan de dekking worden uitgebreid tot goederen, die nodig zijn voor de uitvoering van de werken en tot bestaande goederen die eigendom zijn van de bouwheer.

 

- Duur van de waarborg:

 

De polis maakt een onderscheid tussen de « bouw-montage- testtermijn » en de onderhoudstermijn.

 

De eerste begint te lopen op de aanvangsdatum van de polis en komt ten einde bij de eerste van volgende gebeurtenissen: voorlopige oplevering, ingebruikname of indienststelling en het einde van de in de bijzondere voorwaarden voorziene duur van de werken.

 

De tweede begint bij het einde van de eerste en komt ten einde na de termijn voorzien in de bijzondere voorwaarden.

 

Let wel : de dekking die tijdens de onderhoudstermijn wordt verleend, moet uitdrukkelijk worden omschreven in de algemene voorwaarden.

 

 

- Specifieke voorwaarden :

 

Om gedekt te zijn moet de schade voldoen aan een dubbele voorwaarde:

 

  • De schade moet te wijten zijn aan een schadeverwekkend feit dat zich op de bouwplaats heeft voorgedaan tijdens de bouw-, montage- of proeftermijn, en

     

  • De schade moet tijdens de in de bijzondere voorwaarden van de polis omschreven onderhoudstermijn worden vastgesteld.

     

2.2. Aansprakelijkheidsverzekering

 

De tweede afdeling is een facultatieve uitbreiding van de A.B.R.- polis.

 

Men kan enkel intekenen op dit luik in aanvulling op Afdeling I 'Schade en Verliezen'. ln de abonnementspolissen is deze uitbreiding meestal niet voorzien.

 

De dekking bevat belangrijke beperkingen en is niet bedoeld om de aansprakelijkheidsverzekeringen van de individuele deelnemers te vervangen. Zij moet eerder beschouwd worden als een overkoepelende aanvulling op deze verzekeringen.

 

De type-polis 1995 voorziet enkel een dekking tijdens de bouw-, montage-, proeftermijn. De verzekeraars zijn echter bereid deze dekking ook tijdens de onderhoudstermijn te voorzien, uiteraard enkel indien deze verzekeringstermijn in de dekking voorzien in Afdeling I is opgenomen.

 

- Wat wordt gedekt :

 

In A.B.R.-polissen kunnen de volgende waarborgen worden voorzien:

 

  • Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad: de vergoeding van schade, die te wijten is aan de uitvoering op de bouwplaats van de verzekerde werken en waarvoor een verzekerde aansprakelijk wordt gesteld krachtens de artikelen 1382 tot 1386 B.W.;
  • Stoornis van nabuurschap : de aansprakelijkheid van de bouwheer voor schade aan derden die te wijten is aan het gebruik van zijn eigendomsrecht en die het gevolg is van de uitvoering van de verzekerde werken.

De aansprakelijkheidswaarborgen gelden slechts voor de lichamelijke letsels alsook voor de materiële schade en de rechtstreekse gevolgen van deze schade.

 

De zuiver immateriële schade is dus niet verzekerd.

 

Het betreft de economische gevolgschade, waaronder het verlies van marktaandelen of clienteel, de roerende of onroerende gebruiksderving, productieverlies, winstderving en dergelijke.

 

- Ten aanzien van welke personen :

De verzekering dekt enkel de schade aan derden.

 

Zijn geen derden volgens de polis : de bouwheer, de deelnemers aan de verzekerde werken (aannemers, architecten, enz.), de vennoten, bestuurders, zaakvoerders, commissarissen, mandatarissen en aangestelden van de verzekerden wanneer ze hun functies uitoefenen.

 

- Beperkingen :

Merk ook op dat bij samenloop van meerdere verzekeringen de A.B.R.-verzekering als aanvullend beschouwd wordt zodat de bestaande dekkingen 'BA-exploitatie' voorrang krijgen.

 

 <