News & events

03/07/2017

Hervorming van het erfrecht

De voorbije decennia heeft onze maatschappij grote evoluties doorgemaakt, terwijl ons erfrecht nauwelijks nog hervormd is sinds het in voege is getreden ten tijde van Napoleon. Een hervorming die het erfrecht aanpast aan de noden van de moderne samenleving kon dan ook niet langer op zich laten wachten. Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel van 25 januari 2017.

 

 

1. Aanpassing van de erfrechtelijke reserve


De wet bepaalt hoe groot het deel van de nalatenschap is waarover de erflater vrij kan beschikken. Het deel waarover hij niet vrij kan beschikken, wordt het voorbehouden erfdeel of de erfrechtelijke reserve genoemd.

 

Ouders hebben op dit moment recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap van hun kind indien het kind zelf geen afstammelingen nalaat. Het wetsvoorstel schaft de reserve van de ouders af en vervangt deze door een onderhoudsplicht ten laste van de nalatenschap. Het levensonderhoud wordt toegekend indien de ouders behoeftig zijn ten tijde van het overlijden van de erflater. Het kan de vorm aannemen van van een maandelijkse lijfrente of een eenmalig kapitaal, en bedraagt maximum 1/4e van de nalatenschap per behoeftige ouder.

 

Indien de erflater kinderen nalaat, omvat het beschikbaar deel voortaan de helft van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen. Het voorbehouden erfdeel (het deel van de nalatenschap dat de kinderen niet kan ontnomen worden) beslaat dus nog maar de helft van de nalatenschap. Dat laat de erflater toe om een grotere ongelijkheid tussen de eigen kinderen te bewerkstellingen of een groter erfdeel aan andere personen dan de eigen kinderen toe te kennen.

 

 

2. Inbreng en inkorting in waarde


Indien een door de erflater gedane schenking ertoe leidt dat de reserve van de kinderen is aangetast, kunnen deze laatsten een zogenaamde vordering tot inkorting instellen. Deze inkorting gebeurt in principe in natura: de begiftigde moet bij het overlijden van de schenker het geschonken goed (deels) afstaan! Dit brengt uiteraard vaak de rechtszekerheid in het gedrang. Daarom opteert het wetsvoorstel voor een inkorting in waarde: de begiftigde die te veel heeft ontvangen, betaalt een pecuniaire vergoeding aan de reservataire erfgenamen. De inkorting zou nog steeds in natura kunnen geschieden indien de begiftigde hier zelf voor kiest.

 

Schenkingen die werden gedaan als een louter voorschot op het latere erfdeel, moeten bij overlijden van de schenker  worden ingebracht en worden vervolgens verdeeld tussen de wettelijke erfgenamen. Omdat de wetgever vermoedt dat de erflater niet de bedoeling had om de begiftigde te bevoordelen tegenover de anderen, wil hij zo trachten de onderlinge gelijkheid te herstellen.

 

De inbreng gebeurt in principe in natura voor onroerende goederen (tegen de waarde op het moment van verdeling) maar door mindere ontvangst voor roerende goederen (tegen de waarde op het moment van de schenking). De verschillende positie van de schenker al naargelang hij een onroerend of roerend goed ontving van de schenker, zorgt voor veel problemen in de praktijk. De begiftigde aan wie een onroerend goed werd geschonken, is bijvoorbeeld niet zeker dat hij na overlijden van de schenker dit goed ook daadwerkelijk zal kunnen behouden. Heeft iemand daarentegen roerende goederen gekregen, dan mag hij deze behouden maar zal hij voor de tegenwaarde minder ontvangen uit de overige erfgoederen op het moment van de verdeling.

 

De inbreng, ongeacht de aard van het goed, zou daarom voortaan in waarde gebeuren, hetzij door betaling van de waarde van het geschonken goed, hetzij door mindere ontvangst. Ook hier kan de begiftigde er alsnog voor kiezen om het goed in natura in te brengen.

 

Om de regels van inkorting en inbreng verder te uniformiseren, zal men in beide gevallen uitgaan van de waarde op het ogenblik van de schenking, geïndexeerd tot aan het overlijden. Hierop geldt één uitzondering: schenkingen gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik worden gewaardeerd op de dag van het overlijden.

 

Ten slotte kunnen we nog opmerken dat onder het nieuwe erfrecht enkel de schenkingen aan afstammelingen worden vermoed te zijn gedaan als voorschot op erfdeel. Schenkingen aan alle andere erfgenamen worden vermoed met vrijstelling van inbreng te zijn gedaan, d.w.z. buiten erfdeel en met het inzicht om de begiftigde meer te geven dan de andere erfgenamen.

 

 

3. Mogelijkheid tot het afsluiten van erfovereenkomsten


Het huidige verbod op overeenkomsten over niet-opengevallen nalatenschappen wordt versoepeld. Ouders willen namelijk vaak samen met hun kinderen een regeling treffen om eventuele conflicten bij hun overlijden te vermijden. Aan deze wens wordt nu tegemoet gekomen.

 

Zo zouden ouders over de mogelijkheid beschikken om een ‘globale erfovereenkomst’ af te sluiten met hun kinderen. Dergelijke overeenkomst regelt de toewijzing en verdeling van de nalatenschap onder de kinderen. Men kan daarbij rekening houden met reeds gedane schenkingen, maar ook met toegekende voordelen die juridisch gezien geen schenkingen zijn.


De ouders hebben bijvoorbeeld in het verleden een schenking van € 50.000 gedaan aan hun dochter, terwijl zij hun zoon financieel gesteund hebben bij de opstart van diens bedrijf. Ouders en kinderen kunnen in de erfovereenkomst verklaren dat er, gelet op de voorgaande schenkingen, een subjectieve gelijkheid is ontstaan tussen de erfgenamen.

 

Een ‘generatiesprong’ behoort ook tot de mogelijkheden: een ouder gaat er mee akkoord dat zijn kinderen – en niet de ouder zelf – zullen erven van de grootouders. Hiertoe moeten alle kinderen worden betrokken bij de erfovereenkomst.

 

Door de ondertekening van de globale erfovereenkomst verzaken de kinderen definitief aan een eventuele latere vordering tot inkorting en/of inbreng met betrekking tot de giften die onder de overeenkomst vallen.

 

Partijen kunnen, naast een globale erfovereenkomst, ook een aantal ‘punctuele erfovereenkomsten’ afsluiten. Dergelijke overeenkomst kan onder meer bepalen dat de vermoedelijke mede-erfgenamen van de begiftigde de waarde aanvaarden van de geschonken goederen. De waarde van het geschonken goed valt dan achteraf niet meer te betwisten.

 

 

4. Inwerkingtreding


Het is nog wachten op de goedkeuring van het wetsvoorstel. Die zal allicht niet plaatsvinden voor het eind van 2017, zodat de wet pas in werking zou treden begin 2019, d.i. 1 jaar na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

 

         

Auteur

Alexander Mondy

News & events

03/07/2017

Hervorming van het erfrecht

De voorbije decennia heeft onze maatschappij grote evoluties doorgemaakt, terwijl ons erfrecht nauwelijks nog hervormd is sinds het in voege is getreden ten tijde van Napoleon. Een hervorming die het erfrecht aanpast aan de noden van de moderne samenleving kon dan ook niet langer op zich laten wachten. Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel van 25 januari 2017.

 

 

1. Aanpassing van de erfrechtelijke reserve


De wet bepaalt hoe groot het deel van de nalatenschap is waarover de erflater vrij kan beschikken. Het deel waarover hij niet vrij kan beschikken, wordt het voorbehouden erfdeel of de erfrechtelijke reserve genoemd.

 

Ouders hebben op dit moment recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap van hun kind indien het kind zelf geen afstammelingen nalaat. Het wetsvoorstel schaft de reserve van de ouders af en vervangt deze door een onderhoudsplicht ten laste van de nalatenschap. Het levensonderhoud wordt toegekend indien de ouders behoeftig zijn ten tijde van het overlijden van de erflater. Het kan de vorm aannemen van van een maandelijkse lijfrente of een eenmalig kapitaal, en bedraagt maximum 1/4e van de nalatenschap per behoeftige ouder.

 

Indien de erflater kinderen nalaat, omvat het beschikbaar deel voortaan de helft van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen. Het voorbehouden erfdeel (het deel van de nalatenschap dat de kinderen niet kan ontnomen worden) beslaat dus nog maar de helft van de nalatenschap. Dat laat de erflater toe om een grotere ongelijkheid tussen de eigen kinderen te bewerkstellingen of een groter erfdeel aan andere personen dan de eigen kinderen toe te kennen.

 

 

2. Inbreng en inkorting in waarde


Indien een door de erflater gedane schenking ertoe leidt dat de reserve van de kinderen is aangetast, kunnen deze laatsten een zogenaamde vordering tot inkorting instellen. Deze inkorting gebeurt in principe in natura: de begiftigde moet bij het overlijden van de schenker het geschonken goed (deels) afstaan! Dit brengt uiteraard vaak de rechtszekerheid in het gedrang. Daarom opteert het wetsvoorstel voor een inkorting in waarde: de begiftigde die te veel heeft ontvangen, betaalt een pecuniaire vergoeding aan de reservataire erfgenamen. De inkorting zou nog steeds in natura kunnen geschieden indien de begiftigde hier zelf voor kiest.

 

Schenkingen die werden gedaan als een louter voorschot op het latere erfdeel, moeten bij overlijden van de schenker  worden ingebracht en worden vervolgens verdeeld tussen de wettelijke erfgenamen. Omdat de wetgever vermoedt dat de erflater niet de bedoeling had om de begiftigde te bevoordelen tegenover de anderen, wil hij zo trachten de onderlinge gelijkheid te herstellen.

 

De inbreng gebeurt in principe in natura voor onroerende goederen (tegen de waarde op het moment van verdeling) maar door mindere ontvangst voor roerende goederen (tegen de waarde op het moment van de schenking). De verschillende positie van de schenker al naargelang hij een onroerend of roerend goed ontving van de schenker, zorgt voor veel problemen in de praktijk. De begiftigde aan wie een onroerend goed werd geschonken, is bijvoorbeeld niet zeker dat hij na overlijden van de schenker dit goed ook daadwerkelijk zal kunnen behouden. Heeft iemand daarentegen roerende goederen gekregen, dan mag hij deze behouden maar zal hij voor de tegenwaarde minder ontvangen uit de overige erfgoederen op het moment van de verdeling.

 

De inbreng, ongeacht de aard van het goed, zou daarom voortaan in waarde gebeuren, hetzij door betaling van de waarde van het geschonken goed, hetzij door mindere ontvangst. Ook hier kan de begiftigde er alsnog voor kiezen om het goed in natura in te brengen.

 

Om de regels van inkorting en inbreng verder te uniformiseren, zal men in beide gevallen uitgaan van de waarde op het ogenblik van de schenking, geïndexeerd tot aan het overlijden. Hierop geldt één uitzondering: schenkingen gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik worden gewaardeerd op de dag van het overlijden.

 

Ten slotte kunnen we nog opmerken dat onder het nieuwe erfrecht enkel de schenkingen aan afstammelingen worden vermoed te zijn gedaan als voorschot op erfdeel. Schenkingen aan alle andere erfgenamen worden vermoed met vrijstelling van inbreng te zijn gedaan, d.w.z. buiten erfdeel en met het inzicht om de begiftigde meer te geven dan de andere erfgenamen.

 

 

3. Mogelijkheid tot het afsluiten van erfovereenkomsten


Het huidige verbod op overeenkomsten over niet-opengevallen nalatenschappen wordt versoepeld. Ouders willen namelijk vaak samen met hun kinderen een regeling treffen om eventuele conflicten bij hun overlijden te vermijden. Aan deze wens wordt nu tegemoet gekomen.

 

Zo zouden ouders over de mogelijkheid beschikken om een ‘globale erfovereenkomst’ af te sluiten met hun kinderen. Dergelijke overeenkomst regelt de toewijzing en verdeling van de nalatenschap onder de kinderen. Men kan daarbij rekening houden met reeds gedane schenkingen, maar ook met toegekende voordelen die juridisch gezien geen schenkingen zijn.


De ouders hebben bijvoorbeeld in het verleden een schenking van € 50.000 gedaan aan hun dochter, terwijl zij hun zoon financieel gesteund hebben bij de opstart van diens bedrijf. Ouders en kinderen kunnen in de erfovereenkomst verklaren dat er, gelet op de voorgaande schenkingen, een subjectieve gelijkheid is ontstaan tussen de erfgenamen.

 

Een ‘generatiesprong’ behoort ook tot de mogelijkheden: een ouder gaat er mee akkoord dat zijn kinderen – en niet de ouder zelf – zullen erven van de grootouders. Hiertoe moeten alle kinderen worden betrokken bij de erfovereenkomst.

 

Door de ondertekening van de globale erfovereenkomst verzaken de kinderen definitief aan een eventuele latere vordering tot inkorting en/of inbreng met betrekking tot de giften die onder de overeenkomst vallen.

 

Partijen kunnen, naast een globale erfovereenkomst, ook een aantal ‘punctuele erfovereenkomsten’ afsluiten. Dergelijke overeenkomst kan onder meer bepalen dat de vermoedelijke mede-erfgenamen van de begiftigde de waarde aanvaarden van de geschonken goederen. De waarde van het geschonken goed valt dan achteraf niet meer te betwisten.

 

 

4. Inwerkingtreding


Het is nog wachten op de goedkeuring van het wetsvoorstel. Die zal allicht niet plaatsvinden voor het eind van 2017, zodat de wet pas in werking zou treden begin 2019, d.i. 1 jaar na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

 

         

Auteur

Alexander Mondy

News & events

03/07/2017

Hervorming van het erfrecht

De voorbije decennia heeft onze maatschappij grote evoluties doorgemaakt, terwijl ons erfrecht nauwelijks nog hervormd is sinds het in voege is getreden ten tijde van Napoleon. Een hervorming die het erfrecht aanpast aan de noden van de moderne samenleving kon dan ook niet langer op zich laten wachten. Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste maatregelen opgenomen in het wetsvoorstel van 25 januari 2017.

 

 

1. Aanpassing van de erfrechtelijke reserve


De wet bepaalt hoe groot het deel van de nalatenschap is waarover de erflater vrij kan beschikken. Het deel waarover hij niet vrij kan beschikken, wordt het voorbehouden erfdeel of de erfrechtelijke reserve genoemd.

 

Ouders hebben op dit moment recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap van hun kind indien het kind zelf geen afstammelingen nalaat. Het wetsvoorstel schaft de reserve van de ouders af en vervangt deze door een onderhoudsplicht ten laste van de nalatenschap. Het levensonderhoud wordt toegekend indien de ouders behoeftig zijn ten tijde van het overlijden van de erflater. Het kan de vorm aannemen van van een maandelijkse lijfrente of een eenmalig kapitaal, en bedraagt maximum 1/4e van de nalatenschap per behoeftige ouder.

 

Indien de erflater kinderen nalaat, omvat het beschikbaar deel voortaan de helft van de nalatenschap, ongeacht het aantal kinderen. Het voorbehouden erfdeel (het deel van de nalatenschap dat de kinderen niet kan ontnomen worden) beslaat dus nog maar de helft van de nalatenschap. Dat laat de erflater toe om een grotere ongelijkheid tussen de eigen kinderen te bewerkstellingen of een groter erfdeel aan andere personen dan de eigen kinderen toe te kennen.

 

 

2. Inbreng en inkorting in waarde


Indien een door de erflater gedane schenking ertoe leidt dat de reserve van de kinderen is aangetast, kunnen deze laatsten een zogenaamde vordering tot inkorting instellen. Deze inkorting gebeurt in principe in natura: de begiftigde moet bij het overlijden van de schenker het geschonken goed (deels) afstaan! Dit brengt uiteraard vaak de rechtszekerheid in het gedrang. Daarom opteert het wetsvoorstel voor een inkorting in waarde: de begiftigde die te veel heeft ontvangen, betaalt een pecuniaire vergoeding aan de reservataire erfgenamen. De inkorting zou nog steeds in natura kunnen geschieden indien de begiftigde hier zelf voor kiest.

 

Schenkingen die werden gedaan als een louter voorschot op het latere erfdeel, moeten bij overlijden van de schenker  worden ingebracht en worden vervolgens verdeeld tussen de wettelijke erfgenamen. Omdat de wetgever vermoedt dat de erflater niet de bedoeling had om de begiftigde te bevoordelen tegenover de anderen, wil hij zo trachten de onderlinge gelijkheid te herstellen.

 

De inbreng gebeurt in principe in natura voor onroerende goederen (tegen de waarde op het moment van verdeling) maar door mindere ontvangst voor roerende goederen (tegen de waarde op het moment van de schenking). De verschillende positie van de schenker al naargelang hij een onroerend of roerend goed ontving van de schenker, zorgt voor veel problemen in de praktijk. De begiftigde aan wie een onroerend goed werd geschonken, is bijvoorbeeld niet zeker dat hij na overlijden van de schenker dit goed ook daadwerkelijk zal kunnen behouden. Heeft iemand daarentegen roerende goederen gekregen, dan mag hij deze behouden maar zal hij voor de tegenwaarde minder ontvangen uit de overige erfgoederen op het moment van de verdeling.

 

De inbreng, ongeacht de aard van het goed, zou daarom voortaan in waarde gebeuren, hetzij door betaling van de waarde van het geschonken goed, hetzij door mindere ontvangst. Ook hier kan de begiftigde er alsnog voor kiezen om het goed in natura in te brengen.

 

Om de regels van inkorting en inbreng verder te uniformiseren, zal men in beide gevallen uitgaan van de waarde op het ogenblik van de schenking, geïndexeerd tot aan het overlijden. Hierop geldt één uitzondering: schenkingen gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik worden gewaardeerd op de dag van het overlijden.

 

Ten slotte kunnen we nog opmerken dat onder het nieuwe erfrecht enkel de schenkingen aan afstammelingen worden vermoed te zijn gedaan als voorschot op erfdeel. Schenkingen aan alle andere erfgenamen worden vermoed met vrijstelling van inbreng te zijn gedaan, d.w.z. buiten erfdeel en met het inzicht om de begiftigde meer te geven dan de andere erfgenamen.

 

 

3. Mogelijkheid tot het afsluiten van erfovereenkomsten


Het huidige verbod op overeenkomsten over niet-opengevallen nalatenschappen wordt versoepeld. Ouders willen namelijk vaak samen met hun kinderen een regeling treffen om eventuele conflicten bij hun overlijden te vermijden. Aan deze wens wordt nu tegemoet gekomen.

 

Zo zouden ouders over de mogelijkheid beschikken om een ‘globale erfovereenkomst’ af te sluiten met hun kinderen. Dergelijke overeenkomst regelt de toewijzing en verdeling van de nalatenschap onder de kinderen. Men kan daarbij rekening houden met reeds gedane schenkingen, maar ook met toegekende voordelen die juridisch gezien geen schenkingen zijn.


De ouders hebben bijvoorbeeld in het verleden een schenking van € 50.000 gedaan aan hun dochter, terwijl zij hun zoon financieel gesteund hebben bij de opstart van diens bedrijf. Ouders en kinderen kunnen in de erfovereenkomst verklaren dat er, gelet op de voorgaande schenkingen, een subjectieve gelijkheid is ontstaan tussen de erfgenamen.

 

Een ‘generatiesprong’ behoort ook tot de mogelijkheden: een ouder gaat er mee akkoord dat zijn kinderen – en niet de ouder zelf – zullen erven van de grootouders. Hiertoe moeten alle kinderen worden betrokken bij de erfovereenkomst.

 

Door de ondertekening van de globale erfovereenkomst verzaken de kinderen definitief aan een eventuele latere vordering tot inkorting en/of inbreng met betrekking tot de giften die onder de overeenkomst vallen.

 

Partijen kunnen, naast een globale erfovereenkomst, ook een aantal ‘punctuele erfovereenkomsten’ afsluiten. Dergelijke overeenkomst kan onder meer bepalen dat de vermoedelijke mede-erfgenamen van de begiftigde de waarde aanvaarden van de geschonken goederen. De waarde van het geschonken goed valt dan achteraf niet meer te betwisten.

 

 

4. Inwerkingtreding


Het is nog wachten op de goedkeuring van het wetsvoorstel. Die zal allicht niet plaatsvinden voor het eind van 2017, zodat de wet pas in werking zou treden begin 2019, d.i. 1 jaar na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.