News & events

13/12/2016

De wet van 17 juni 2016: alweer nieuwe regels voor overheidsopdrachten

De regelgeving met betrekking tot overheidsopdrachten in de klassieke sectoren wordt momenteel aangestuurd door de Wet van 15 juni 2006 en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Deze wet is pas in werking sedert 1 juli 2013 en werd intussen al meerdere malen gewijzigd. Toch wordt de wet van 2006 nu alweer integraal vervangen door de Wet van 17 juni 2016, dit om tegemoet te komen aan de Europese regelgeving.

 

1.    Algemeen

 

Luidens minister Borsus van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie moet de nieuwe wet helpen in de strijd tegen sociale dumping en de deelname van KMO’s aan overheidsopdrachten vergemakkelijken. Tegelijk worden ook een aantal elementen van administratieve vereenvoudiging voorzien. Hoewel veel van de principes uit de huidige regelgeving overeind blijven, worden ook een aantal belangrijke nieuwigheden geïntroduceerd.

 

2.    Opdrachten op basis van aanvaarde factuur

 

In de eerste plaats wordt het plafond opgetrokken voor opdrachten die kunnen geplaatst worden via aanvaarde factuur. Dit betekent dat geen bestek moet worden opgesteld en geen offertes moeten worden opgevraagd. De bedoeling is wel nog steeds dat de aanbestedende overheid de markt raadpleegt, zij het dat hiervoor geen welbepaalde procedure moet gevolgd worden.

 

 De aanbestedende overheid krijgt in de nieuwe wet de mogelijkheid om opdrachten tot €30.000 op die manier te sluiten, waar de grens nu op slechts €8.500 ligt. Zeker voor lokale besturen en verenigingen die aan de overheidsopdrachtenwetgeving onderworpen zijn, kan dit een aanzienlijke vereenvoudiging betekenen. Ook inschrijvers zullen zo kunnen ontkomen aan een complex inschrijvingsdossier voor relatief kleine opdrachten.

 

 

3.    Divide or explain

 

Op vandaag bestaat al de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om een opdracht in percelen te verdelen. In de nieuwe wet wordt echter het “divide or explain”-principe ingevoerd. Voor opdrachten boven de €135.000 wordt de opdeling in percelen de standaard. Zo niet zal de overheid uitdrukkelijk moeten motiveren waarom zij geen verdeling doorvoert. Op die manier wil de wetgever verzekeren dat niet alleen grote bedrijven, maar ook KMO’s eenvoudiger kunnen inschrijven op overheidsopdrachten. Immers kunnen gespecialiseerde, kleinere bedrijven vaak niet deelnemen, omdat zij niet de volledige opdracht kunnen uitvoeren. Zij zijn daardoor in vele gevallen beperkt tot het werken in onderaanneming. De nieuwe wet moet hierin verandering brengen.

 

4.    Verplichte uitsluitingen

 

Verder zal de aanbestedende overheid in principe verplicht worden om inschrijvers uit te sluiten indien deze bepalingen inzake het sociaal statuut, het arbeidsrecht of het milieu schenden, die strafrechtelijk sanctioneerbaar zijn (kinderarbeid, tewerkstelling van illegalen, corruptie, fraude …). Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest wordt ook een veroordeling wegens terroristische misdrijven uitdrukkelijk als uitsluitingsgrond aangehaald.

 

Het grote verschil met de huidige regelgeving, is dat in de nieuwe wet die uitsluitingsgronden worden beoordeeld tot op het moment van de gunning. Op elk moment in de procedure kunnen dus inschrijvers worden uitgesloten. De uitsluitingsgronden gelden niet enkel voor de inschrijvers zelf, maar ook voor bvb. bestuurders of andere personen met beslissings- of vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen de vennootschap.

 

Ook in geval van fiscale of sociale schulden blijft de uitsluitingsgrond behouden, maar nieuw is dat corrigerende maatregelen worden voorzien. De aanbestedende overheid geeft aan de inschrijver de kans om zijn situatie binnen de vijf werkdagen te regulariseren en het bewijs hiervan te leveren.

 

5.    Procedurele vereenvoudiging

 

Een vierde belangrijke nieuwigheid is dat het onderscheid tussen de aanbesteding (enkel laagste prijs als criterium) en de offerteaanvraag (meerdere criteria) verdwijnt, althans in theorie.

 

In de nieuwe wet wordt bepaald dat de overheid zich moet baseren op de “economisch meest voordelige offerte”, zoals nu al geldt voor de offerteaanvraag. Om te bepalen wat de economisch meest voordelige offerte is, kan de aanbestedende overheid een van de volgende beoordelingsmethodes hanteren:

 

1° de prijs;

2° de kost, volgens een benadering die gebaseerd is op de kosteneffectiviteit, zoals de kost van de levenscyclus (hetgeen dus verder reikt dan een loutere beoordeling van de aankoopprijs);

3° een betere prijs-kwaliteitverhouding die geëvalueerd wordt op basis van de prijs of kost én criteria die kwaliteits-, milieu- en/of sociale aspecten bevatten verbonden aan het voorwerp van de betrokken overheidsopdracht.     

 

In praktijk kan dus nog altijd geopteerd worden voor een beslissing louter op basis van prijs.

 

Wat de procedures betreft, is het verder belangrijk dat de vroegere onderhandelingsprocedure herdoopt wordt tot “mededingingsprocedure met onderhandeling” en vooral een ruimer toepassingsgebied krijgt. Dit moet meer flexibiliteit en innovatie toelaten. Zo kunnen opdrachten die ontwerp- of innovatieve oplossingen vereisen, steeds via onderhandelingen worden verwezenlijkt.

 

Ten slotte is het relevant op te merken dat de elektronische procedure in de toekomst de regel wordt en in vele gevallen zelfs principieel verplicht wordt.

 

 

6.    Inwerkingtreding

 

Uiteraard brengt de wetgeving nog een aantal andere wijzigingen met zich mee, die in het bestek van deze nieuwsbrief niet kunnen behandeld worden.

 

Wanneer de nieuwe wet in werking treedt, is nog niet duidelijk. Hoewel algemeen wordt verwacht dat het niet opnieuw zeven jaar zal duren zoals met de wet van 2006, lijkt de overschakeling nog niet voor morgen. In elk geval moeten nog een aantal uitvoeringsbesluiten worden opgemaakt, teneinde de principes van de nieuwe wet te concretiseren. Zo zal er ongetwijfeld een nieuw plaatsings-KB moeten komen. Voorlopig moeten we het dus nog even stellen met de bestaande regelgeving.

Auteur

News & events

13/12/2016

De wet van 17 juni 2016: alweer nieuwe regels voor overheidsopdrachten

De regelgeving met betrekking tot overheidsopdrachten in de klassieke sectoren wordt momenteel aangestuurd door de Wet van 15 juni 2006 en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Deze wet is pas in werking sedert 1 juli 2013 en werd intussen al meerdere malen gewijzigd. Toch wordt de wet van 2006 nu alweer integraal vervangen door de Wet van 17 juni 2016, dit om tegemoet te komen aan de Europese regelgeving.

 

1.    Algemeen

 

Luidens minister Borsus van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie moet de nieuwe wet helpen in de strijd tegen sociale dumping en de deelname van KMO’s aan overheidsopdrachten vergemakkelijken. Tegelijk worden ook een aantal elementen van administratieve vereenvoudiging voorzien. Hoewel veel van de principes uit de huidige regelgeving overeind blijven, worden ook een aantal belangrijke nieuwigheden geïntroduceerd.

 

2.    Opdrachten op basis van aanvaarde factuur

 

In de eerste plaats wordt het plafond opgetrokken voor opdrachten die kunnen geplaatst worden via aanvaarde factuur. Dit betekent dat geen bestek moet worden opgesteld en geen offertes moeten worden opgevraagd. De bedoeling is wel nog steeds dat de aanbestedende overheid de markt raadpleegt, zij het dat hiervoor geen welbepaalde procedure moet gevolgd worden.

 

 De aanbestedende overheid krijgt in de nieuwe wet de mogelijkheid om opdrachten tot €30.000 op die manier te sluiten, waar de grens nu op slechts €8.500 ligt. Zeker voor lokale besturen en verenigingen die aan de overheidsopdrachtenwetgeving onderworpen zijn, kan dit een aanzienlijke vereenvoudiging betekenen. Ook inschrijvers zullen zo kunnen ontkomen aan een complex inschrijvingsdossier voor relatief kleine opdrachten.

 

 

3.    Divide or explain

 

Op vandaag bestaat al de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om een opdracht in percelen te verdelen. In de nieuwe wet wordt echter het “divide or explain”-principe ingevoerd. Voor opdrachten boven de €135.000 wordt de opdeling in percelen de standaard. Zo niet zal de overheid uitdrukkelijk moeten motiveren waarom zij geen verdeling doorvoert. Op die manier wil de wetgever verzekeren dat niet alleen grote bedrijven, maar ook KMO’s eenvoudiger kunnen inschrijven op overheidsopdrachten. Immers kunnen gespecialiseerde, kleinere bedrijven vaak niet deelnemen, omdat zij niet de volledige opdracht kunnen uitvoeren. Zij zijn daardoor in vele gevallen beperkt tot het werken in onderaanneming. De nieuwe wet moet hierin verandering brengen.

 

4.    Verplichte uitsluitingen

 

Verder zal de aanbestedende overheid in principe verplicht worden om inschrijvers uit te sluiten indien deze bepalingen inzake het sociaal statuut, het arbeidsrecht of het milieu schenden, die strafrechtelijk sanctioneerbaar zijn (kinderarbeid, tewerkstelling van illegalen, corruptie, fraude …). Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest wordt ook een veroordeling wegens terroristische misdrijven uitdrukkelijk als uitsluitingsgrond aangehaald.

 

Het grote verschil met de huidige regelgeving, is dat in de nieuwe wet die uitsluitingsgronden worden beoordeeld tot op het moment van de gunning. Op elk moment in de procedure kunnen dus inschrijvers worden uitgesloten. De uitsluitingsgronden gelden niet enkel voor de inschrijvers zelf, maar ook voor bvb. bestuurders of andere personen met beslissings- of vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen de vennootschap.

 

Ook in geval van fiscale of sociale schulden blijft de uitsluitingsgrond behouden, maar nieuw is dat corrigerende maatregelen worden voorzien. De aanbestedende overheid geeft aan de inschrijver de kans om zijn situatie binnen de vijf werkdagen te regulariseren en het bewijs hiervan te leveren.

 

5.    Procedurele vereenvoudiging

 

Een vierde belangrijke nieuwigheid is dat het onderscheid tussen de aanbesteding (enkel laagste prijs als criterium) en de offerteaanvraag (meerdere criteria) verdwijnt, althans in theorie.

 

In de nieuwe wet wordt bepaald dat de overheid zich moet baseren op de “economisch meest voordelige offerte”, zoals nu al geldt voor de offerteaanvraag. Om te bepalen wat de economisch meest voordelige offerte is, kan de aanbestedende overheid een van de volgende beoordelingsmethodes hanteren:

 

1° de prijs;

2° de kost, volgens een benadering die gebaseerd is op de kosteneffectiviteit, zoals de kost van de levenscyclus (hetgeen dus verder reikt dan een loutere beoordeling van de aankoopprijs);

3° een betere prijs-kwaliteitverhouding die geëvalueerd wordt op basis van de prijs of kost én criteria die kwaliteits-, milieu- en/of sociale aspecten bevatten verbonden aan het voorwerp van de betrokken overheidsopdracht.     

 

In praktijk kan dus nog altijd geopteerd worden voor een beslissing louter op basis van prijs.

 

Wat de procedures betreft, is het verder belangrijk dat de vroegere onderhandelingsprocedure herdoopt wordt tot “mededingingsprocedure met onderhandeling” en vooral een ruimer toepassingsgebied krijgt. Dit moet meer flexibiliteit en innovatie toelaten. Zo kunnen opdrachten die ontwerp- of innovatieve oplossingen vereisen, steeds via onderhandelingen worden verwezenlijkt.

 

Ten slotte is het relevant op te merken dat de elektronische procedure in de toekomst de regel wordt en in vele gevallen zelfs principieel verplicht wordt.

 

 

6.    Inwerkingtreding

 

Uiteraard brengt de wetgeving nog een aantal andere wijzigingen met zich mee, die in het bestek van deze nieuwsbrief niet kunnen behandeld worden.

 

Wanneer de nieuwe wet in werking treedt, is nog niet duidelijk. Hoewel algemeen wordt verwacht dat het niet opnieuw zeven jaar zal duren zoals met de wet van 2006, lijkt de overschakeling nog niet voor morgen. In elk geval moeten nog een aantal uitvoeringsbesluiten worden opgemaakt, teneinde de principes van de nieuwe wet te concretiseren. Zo zal er ongetwijfeld een nieuw plaatsings-KB moeten komen. Voorlopig moeten we het dus nog even stellen met de bestaande regelgeving.

Auteur

News & events

13/12/2016

De wet van 17 juni 2016: alweer nieuwe regels voor overheidsopdrachten

De regelgeving met betrekking tot overheidsopdrachten in de klassieke sectoren wordt momenteel aangestuurd door de Wet van 15 juni 2006 en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Deze wet is pas in werking sedert 1 juli 2013 en werd intussen al meerdere malen gewijzigd. Toch wordt de wet van 2006 nu alweer integraal vervangen door de Wet van 17 juni 2016, dit om tegemoet te komen aan de Europese regelgeving.

 

1.    Algemeen

 

Luidens minister Borsus van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s, Landbouw en Maatschappelijke Integratie moet de nieuwe wet helpen in de strijd tegen sociale dumping en de deelname van KMO’s aan overheidsopdrachten vergemakkelijken. Tegelijk worden ook een aantal elementen van administratieve vereenvoudiging voorzien. Hoewel veel van de principes uit de huidige regelgeving overeind blijven, worden ook een aantal belangrijke nieuwigheden geïntroduceerd.

 

2.    Opdrachten op basis van aanvaarde factuur

 

In de eerste plaats wordt het plafond opgetrokken voor opdrachten die kunnen geplaatst worden via aanvaarde factuur. Dit betekent dat geen bestek moet worden opgesteld en geen offertes moeten worden opgevraagd. De bedoeling is wel nog steeds dat de aanbestedende overheid de markt raadpleegt, zij het dat hiervoor geen welbepaalde procedure moet gevolgd worden.

 

 De aanbestedende overheid krijgt in de nieuwe wet de mogelijkheid om opdrachten tot €30.000 op die manier te sluiten, waar de grens nu op slechts €8.500 ligt. Zeker voor lokale besturen en verenigingen die aan de overheidsopdrachtenwetgeving onderworpen zijn, kan dit een aanzienlijke vereenvoudiging betekenen. Ook inschrijvers zullen zo kunnen ontkomen aan een complex inschrijvingsdossier voor relatief kleine opdrachten.

 

 

3.    Divide or explain

 

Op vandaag bestaat al de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om een opdracht in percelen te verdelen. In de nieuwe wet wordt echter het “divide or explain”-principe ingevoerd. Voor opdrachten boven de €135.000 wordt de opdeling in percelen de standaard. Zo niet zal de overheid uitdrukkelijk moeten motiveren waarom zij geen verdeling doorvoert. Op die manier wil de wetgever verzekeren dat niet alleen grote bedrijven, maar ook KMO’s eenvoudiger kunnen inschrijven op overheidsopdrachten. Immers kunnen gespecialiseerde, kleinere bedrijven vaak niet deelnemen, omdat zij niet de volledige opdracht kunnen uitvoeren. Zij zijn daardoor in vele gevallen beperkt tot het werken in onderaanneming. De nieuwe wet moet hierin verandering brengen.

 

4.    Verplichte uitsluitingen

 

Verder zal de aanbestedende overheid in principe verplicht worden om inschrijvers uit te sluiten indien deze bepalingen inzake het sociaal statuut, het arbeidsrecht of het milieu schenden, die strafrechtelijk sanctioneerbaar zijn (kinderarbeid, tewerkstelling van illegalen, corruptie, fraude …). Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest wordt ook een veroordeling wegens terroristische misdrijven uitdrukkelijk als uitsluitingsgrond aangehaald.

 

Het grote verschil met de huidige regelgeving, is dat in de nieuwe wet die uitsluitingsgronden worden beoordeeld tot op het moment van de gunning. Op elk moment in de procedure kunnen dus inschrijvers worden uitgesloten. De uitsluitingsgronden gelden niet enkel voor de inschrijvers zelf, maar ook voor bvb. bestuurders of andere personen met beslissings- of vertegenwoordigingsbevoegdheid binnen de vennootschap.

 

Ook in geval van fiscale of sociale schulden blijft de uitsluitingsgrond behouden, maar nieuw is dat corrigerende maatregelen worden voorzien. De aanbestedende overheid geeft aan de inschrijver de kans om zijn situatie binnen de vijf werkdagen te regulariseren en het bewijs hiervan te leveren.

 

5.    Procedurele vereenvoudiging

 

Een vierde belangrijke nieuwigheid is dat het onderscheid tussen de aanbesteding (enkel laagste prijs als criterium) en de offerteaanvraag (meerdere criteria) verdwijnt, althans in theorie.

 

In de nieuwe wet wordt bepaald dat de overheid zich moet baseren op de “economisch meest voordelige offerte”, zoals nu al geldt voor de offerteaanvraag. Om te bepalen wat de economisch meest voordelige offerte is, kan de aanbestedende overheid een van de volgende beoordelingsmethodes hanteren:

 

1° de prijs;

2° de kost, volgens een benadering die gebaseerd is op de kosteneffectiviteit, zoals de kost van de levenscyclus (hetgeen dus verder reikt dan een loutere beoordeling van de aankoopprijs);

3° een betere prijs-kwaliteitverhouding die geëvalueerd wordt op basis van de prijs of kost én criteria die kwaliteits-, milieu- en/of sociale aspecten bevatten verbonden aan het voorwerp van de betrokken overheidsopdracht.     

 

In praktijk kan dus nog altijd geopteerd worden voor een beslissing louter op basis van prijs.

 

Wat de procedures betreft, is het verder belangrijk dat de vroegere onderhandelingsprocedure herdoopt wordt tot “mededingingsprocedure met onderhandeling” en vooral een ruimer toepassingsgebied krijgt. Dit moet meer flexibiliteit en innovatie toelaten. Zo kunnen opdrachten die ontwerp- of innovatieve oplossingen vereisen, steeds via onderhandelingen worden verwezenlijkt.

 

Ten slotte is het relevant op te merken dat de elektronische procedure in de toekomst de regel wordt en in vele gevallen zelfs principieel verplicht wordt.

 

 

6.    Inwerkingtreding

 

Uiteraard brengt de wetgeving nog een aantal andere wijzigingen met zich mee, die in het bestek van deze nieuwsbrief niet kunnen behandeld worden.

 

Wanneer de nieuwe wet in werking treedt, is nog niet duidelijk. Hoewel algemeen wordt verwacht dat het niet opnieuw zeven jaar zal duren zoals met de wet van 2006, lijkt de overschakeling nog niet voor morgen. In elk geval moeten nog een aantal uitvoeringsbesluiten worden opgemaakt, teneinde de principes van de nieuwe wet te concretiseren. Zo zal er ongetwijfeld een nieuw plaatsings-KB moeten komen. Voorlopig moeten we het dus nog even stellen met de bestaande regelgeving.