News & events

01/02/2017

De omgevingsvergunning: een revolutie met een valse start

1. Inleiding

 

Met de Stedebouwwet van 1962 werd in België voor het eerst een bouwvergunning ingevoerd. In de halve eeuw daarna werd het stedenbouwrecht gekenmerkt door een voortdurende evolutie, met de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) als voorlopig hoogtepunt. Tegelijk heeft de Vlaamse decreetgever de voorbije decennia het milieurecht sterk ontwikkeld, met de milieuvergunning als essentieel onderdeel daarvan.

 

Op 23 februari 2017 treedt echter het Omgevingsvergunningsdecreet in werking, dat zowel voor het stedenbouw- als het milieurecht een procedurele revolutie inhoudt. De omgevingsvergunning wordt immers een geïntegreerde vergunning die zowel de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingsvergunning en de milieuvergunning vervangt. Deze vergunning is in principe permanent. Het tijdsgebonden karakter van de milieuvergunning komt daarmee te vervallen. Niettemin zijn tussentijdse evaluaties mogelijk. Vlaanderen hoopt daarmee de vergunningsprocedure sneller en efficiënter te maken, hetgeen voor de rechtsonderhorige uiteraard uitstekend nieuws is, althans voor zover die doelstelling daadwerkelijk wordt bereikt.

 

Belangrijk is dat enkel de procedures worden vervangen. De toetsingscriteria blijven voorlopig ongewijzigd. Op stedenbouwkundig vlak zal een aanvraag dus nog steeds moeten worden getoetst aan de criteria in de VCRO. Wat het milieuaspect betreft, verhuizen de inhoudelijke criteria van het Milieuvergunningsdecreet (dat wordt opgeheven) naar het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM), maar blijven ze verder ongewijzigd.

 

2. Bevoegde overheid

 

Wie een project wenst te realiseren zal dus maar één vergunning meer moeten aanvragen. Afhankelijk van het project zal die aanvraag moeten gebeuren bij  de gemeente, de provincie of het Vlaams Gewest. Waar u de stedenbouwkundige vergunning vroeger sowieso bij de gemeente moest aanvragen, maar het kon dat u zich voor de milieuvergunning tot de Deputatie moest richten, wordt nu één overheid integraal bevoegd. Toch is dit minder eenvoudig dan het lijkt, aangezien de vergunningsaanvrager zelf zal moeten uitzoeken welke overheid voor zijn vergunningsaanvraag bevoegd is.

 

Het Vlaams Gewest en de provincie zullen voornamelijk bevoegd zijn voor respectievelijk de “Vlaamse projecten” en de “provinciale projecten”. Dit zijn limitatieve lijsten met projecten die terug te vinden zijn in de bijlagen bij het Besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015. Vlaamse projecten omvatten bijvoorbeeld de aanleg van autosnelwegen of gewestwegen, aanvragen voor grote afvalverbrandingsinstallaties, aanvragen voor grote windmolenparken etc. Op de lijst van provinciale projecten staan onder andere aanvragen voor handelsruimtes met meer dan 15.000m2 vloeroppervlakte buiten de centrumsteden, aanvragen voor kleinere windmolenparken, aanvragen m.b.t. bovenlokale fietsnetwerken etc. Daarnaast blijft de Deputatie bevoegd voor alle aanvragen voor inrichtingen van Klasse 1 volgens de Vlarem-indelingslijst, voor zover de vergunningsaanvraag geen Vlaams project betreft. Voor alle overige aanvragen én meldingen zal de gemeente bevoegd zijn. De decreetgever heeft ook de mogelijkheid voorzien om een lijst van gemeentelijke projecten op te stellen, maar daarvan is voorlopig nog geen gebruik gemaakt.

 

Het uitzoeken welke overheid voor uw vergunning bevoegd is, is dus niet noodzakelijk eenvoudiger geworden. Gelukkig voorziet het Omgevingsvergunningsdecreet in een vangnet: indien een verkeerde overheid uw aanvraag ontvangt, moet deze de aanvraag doorsturen naar de werkelijk bevoegde overheid.

 

3. Vergunningsprocedures

 

Het decreet voorziet in drie procedures: de gewone procedure, de vereenvoudigde procedure en de melding. De vereenvoudigde procedure zal bijvoorbeeld van toepassing zijn op tijdelijke inrichtingen, beperkte veranderingen aan vergunde projecten en de meeste aanvragen die enkel een stedenbouwkundige of verkavelingscomponent bevatten en die volledig voldoen aan een RUP of BPA. Zodra er een MER of veiligheidsrapport vereist is, moet de gewone procedure worden gebruikt.

 

Het zou ons te ver leiden om de procedures volledig te bespreken, maar we kunnen alvast enkele hoofdlijnen benadrukken. In de gewone procedure zal steeds een openbaar onderzoek vereist zijn, dat zoals voorheen 30 dagen duurt. Tijdens dat openbaar onderzoek kunnen niet enkel bezwaren tegen de vergunningsaanvraag zelf worden ingediend, maar bijvoorbeeld ook opmerkingen op een bijhorend MER. Dit openbaar onderzoek kan gepaard gaan met een verplichte informatievergadering (bvb. wanneer de aanvraag een inrichting van Klasse I betreft of MER-plichtig is). Net zoals tevoren zal de vergunningverlenende overheid bepaalde adviezen moeten opvragen. In bepaalde gevallen worden de individuele adviezen echter vervangen door een globaal advies van de provinciale of gewestelijke omgevingsvergunningscommissie. Opvallend is dat u als vergunningsaanvrager kan vragen om door deze commissie gehoord te worden, waar dit voor individuele adviezen niet kan. Naargelang de concrete situatie duurt de procedure maximum 105-180 dagen vanaf de ontvankelijkheidsverklaring (die binnen de dertig dagen moet gebeuren) van het dossier.

 

Bij de vereenvoudigde procedure moet nooit een openbaar onderzoek worden georganiseerd. Evenmin is een advies van de omgevingscommissies vereist, al kunnen wel individuele adviesvragen van toepassing zijn. Deze procedure neemt slechts 60 dagen in beslag vanaf de ontvankelijkheidsverklaring.

 

4. Procedurele vangnetten

 

De nieuwe procedure is gebruiksvriendelijker in de zin dat meer zaken lopende de aanvraagprocedure kunnen worden rechtgezet.

 

Wanneer bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt vastgesteld dat bepaalde documenten ontbreken, hoeft de overheid de aanvraag niet automatisch onontvankelijk te verklaren. Zij kan de aanvrager de mogelijkheid bieden om binnen een bepaalde termijn aanvullende documenten te bezorgen. Let wel, het gaat om een mogelijkheid: de vergunningverlenende overheid is niet verplicht om deze kans te geven.

 

Daarnaast wordt een administratieve lus ingevoerd. Als de overheid tijdens de procedure een onregelmatigheid vaststelt die tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing zou kunnen leiden, kan ze deze onregelmatigheid nog herstellen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet inwinnen van alle benodigde adviezen of fouten bij de afhandeling van het openbaar onderzoek. Indien nodig, kan de overheid daarvoor een nieuw openbaar onderzoek organiseren of opnieuw adviezen opvragen.

 

Ten slotte worden ook de mogelijkheiden van de aanvrager uitgebreid om zijn aanvraag nog te wijzigen lopende de procedure. Waar tot nu toe gold dat wijzigingen in elk geval niet aanvaardbaar waren indien ze aanleiding zouden geven tot een nieuw openbaar onderzoek, zijn dergelijke wijzigingen nu wel mogelijk, mits effectief een tweede openbaar onderzoek wordt georganiseerd. Hoewel dit uiteraard de procedure langer laat aanslepen, is het nog steeds minder tijdrovend dan een volledig nieuwe aanvraag te moeten indienen. Wijzigingen in de vereenvoudigde procedure mogen evident niet tot gevolg hebben dat een openbaar onderzoek zou moeten worden georganiseerd, nu in die procedure geen openbaar onderzoek mogelijk is.

 

5. Valse start op gemeentelijk niveau

 

Met de omgevingsvergunning gaat een belangrijke component van digitalisering gepaard. De bedoeling is dat de meeste aanvragen verplicht digitaal worden ingediend. Dit vereist uiteraard dat de overheid over werkende platformen beschikt. Op dit moment is dat enkel het geval voor het Vlaams Gewest en de provincies.

 

Voor de gemeenten is de nodige software nog niet voorhanden, hetgeen betekent dat zij op 23 februari de omgevingsvergunning nog niet kunnen implementeren. De gemeenten kunnen bijgevolg uitstel vragen tot 1 juni 2017, hetgeen nu ook massaal gebeurt. In de meeste gemeenten zal de omgevingsvergunning dus pas op 1 juni in werking treden voor aanvragen die op gemeentelijk niveau moeten worden afgehandeld.

 

Tot dan blijft in die gemeenten het systeem van stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen naast elkaar bestaan. Om het nog iets ingewikkelder te maken, moeten stedenbouwkundige vergunningen waarvoor de medewerking van een architect vereist is, toch al digitaal worden ingediend. Daarvoor bestaat de vereiste software wel reeds. De milieuvergunningen die vanaf 23 februari worden verleend zullen bovendien reeds van onbepaalde duur zijn, net zoals dit voor de omgevingsvergunning het geval is.

Auteur

News & events

01/02/2017

De omgevingsvergunning: een revolutie met een valse start

1. Inleiding

 

Met de Stedebouwwet van 1962 werd in België voor het eerst een bouwvergunning ingevoerd. In de halve eeuw daarna werd het stedenbouwrecht gekenmerkt door een voortdurende evolutie, met de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) als voorlopig hoogtepunt. Tegelijk heeft de Vlaamse decreetgever de voorbije decennia het milieurecht sterk ontwikkeld, met de milieuvergunning als essentieel onderdeel daarvan.

 

Op 23 februari 2017 treedt echter het Omgevingsvergunningsdecreet in werking, dat zowel voor het stedenbouw- als het milieurecht een procedurele revolutie inhoudt. De omgevingsvergunning wordt immers een geïntegreerde vergunning die zowel de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingsvergunning en de milieuvergunning vervangt. Deze vergunning is in principe permanent. Het tijdsgebonden karakter van de milieuvergunning komt daarmee te vervallen. Niettemin zijn tussentijdse evaluaties mogelijk. Vlaanderen hoopt daarmee de vergunningsprocedure sneller en efficiënter te maken, hetgeen voor de rechtsonderhorige uiteraard uitstekend nieuws is, althans voor zover die doelstelling daadwerkelijk wordt bereikt.

 

Belangrijk is dat enkel de procedures worden vervangen. De toetsingscriteria blijven voorlopig ongewijzigd. Op stedenbouwkundig vlak zal een aanvraag dus nog steeds moeten worden getoetst aan de criteria in de VCRO. Wat het milieuaspect betreft, verhuizen de inhoudelijke criteria van het Milieuvergunningsdecreet (dat wordt opgeheven) naar het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM), maar blijven ze verder ongewijzigd.

 

2. Bevoegde overheid

 

Wie een project wenst te realiseren zal dus maar één vergunning meer moeten aanvragen. Afhankelijk van het project zal die aanvraag moeten gebeuren bij  de gemeente, de provincie of het Vlaams Gewest. Waar u de stedenbouwkundige vergunning vroeger sowieso bij de gemeente moest aanvragen, maar het kon dat u zich voor de milieuvergunning tot de Deputatie moest richten, wordt nu één overheid integraal bevoegd. Toch is dit minder eenvoudig dan het lijkt, aangezien de vergunningsaanvrager zelf zal moeten uitzoeken welke overheid voor zijn vergunningsaanvraag bevoegd is.

 

Het Vlaams Gewest en de provincie zullen voornamelijk bevoegd zijn voor respectievelijk de “Vlaamse projecten” en de “provinciale projecten”. Dit zijn limitatieve lijsten met projecten die terug te vinden zijn in de bijlagen bij het Besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015. Vlaamse projecten omvatten bijvoorbeeld de aanleg van autosnelwegen of gewestwegen, aanvragen voor grote afvalverbrandingsinstallaties, aanvragen voor grote windmolenparken etc. Op de lijst van provinciale projecten staan onder andere aanvragen voor handelsruimtes met meer dan 15.000m2 vloeroppervlakte buiten de centrumsteden, aanvragen voor kleinere windmolenparken, aanvragen m.b.t. bovenlokale fietsnetwerken etc. Daarnaast blijft de Deputatie bevoegd voor alle aanvragen voor inrichtingen van Klasse 1 volgens de Vlarem-indelingslijst, voor zover de vergunningsaanvraag geen Vlaams project betreft. Voor alle overige aanvragen én meldingen zal de gemeente bevoegd zijn. De decreetgever heeft ook de mogelijkheid voorzien om een lijst van gemeentelijke projecten op te stellen, maar daarvan is voorlopig nog geen gebruik gemaakt.

 

Het uitzoeken welke overheid voor uw vergunning bevoegd is, is dus niet noodzakelijk eenvoudiger geworden. Gelukkig voorziet het Omgevingsvergunningsdecreet in een vangnet: indien een verkeerde overheid uw aanvraag ontvangt, moet deze de aanvraag doorsturen naar de werkelijk bevoegde overheid.

 

3. Vergunningsprocedures

 

Het decreet voorziet in drie procedures: de gewone procedure, de vereenvoudigde procedure en de melding. De vereenvoudigde procedure zal bijvoorbeeld van toepassing zijn op tijdelijke inrichtingen, beperkte veranderingen aan vergunde projecten en de meeste aanvragen die enkel een stedenbouwkundige of verkavelingscomponent bevatten en die volledig voldoen aan een RUP of BPA. Zodra er een MER of veiligheidsrapport vereist is, moet de gewone procedure worden gebruikt.

 

Het zou ons te ver leiden om de procedures volledig te bespreken, maar we kunnen alvast enkele hoofdlijnen benadrukken. In de gewone procedure zal steeds een openbaar onderzoek vereist zijn, dat zoals voorheen 30 dagen duurt. Tijdens dat openbaar onderzoek kunnen niet enkel bezwaren tegen de vergunningsaanvraag zelf worden ingediend, maar bijvoorbeeld ook opmerkingen op een bijhorend MER. Dit openbaar onderzoek kan gepaard gaan met een verplichte informatievergadering (bvb. wanneer de aanvraag een inrichting van Klasse I betreft of MER-plichtig is). Net zoals tevoren zal de vergunningverlenende overheid bepaalde adviezen moeten opvragen. In bepaalde gevallen worden de individuele adviezen echter vervangen door een globaal advies van de provinciale of gewestelijke omgevingsvergunningscommissie. Opvallend is dat u als vergunningsaanvrager kan vragen om door deze commissie gehoord te worden, waar dit voor individuele adviezen niet kan. Naargelang de concrete situatie duurt de procedure maximum 105-180 dagen vanaf de ontvankelijkheidsverklaring (die binnen de dertig dagen moet gebeuren) van het dossier.

 

Bij de vereenvoudigde procedure moet nooit een openbaar onderzoek worden georganiseerd. Evenmin is een advies van de omgevingscommissies vereist, al kunnen wel individuele adviesvragen van toepassing zijn. Deze procedure neemt slechts 60 dagen in beslag vanaf de ontvankelijkheidsverklaring.

 

4. Procedurele vangnetten

 

De nieuwe procedure is gebruiksvriendelijker in de zin dat meer zaken lopende de aanvraagprocedure kunnen worden rechtgezet.

 

Wanneer bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt vastgesteld dat bepaalde documenten ontbreken, hoeft de overheid de aanvraag niet automatisch onontvankelijk te verklaren. Zij kan de aanvrager de mogelijkheid bieden om binnen een bepaalde termijn aanvullende documenten te bezorgen. Let wel, het gaat om een mogelijkheid: de vergunningverlenende overheid is niet verplicht om deze kans te geven.

 

Daarnaast wordt een administratieve lus ingevoerd. Als de overheid tijdens de procedure een onregelmatigheid vaststelt die tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing zou kunnen leiden, kan ze deze onregelmatigheid nog herstellen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet inwinnen van alle benodigde adviezen of fouten bij de afhandeling van het openbaar onderzoek. Indien nodig, kan de overheid daarvoor een nieuw openbaar onderzoek organiseren of opnieuw adviezen opvragen.

 

Ten slotte worden ook de mogelijkheiden van de aanvrager uitgebreid om zijn aanvraag nog te wijzigen lopende de procedure. Waar tot nu toe gold dat wijzigingen in elk geval niet aanvaardbaar waren indien ze aanleiding zouden geven tot een nieuw openbaar onderzoek, zijn dergelijke wijzigingen nu wel mogelijk, mits effectief een tweede openbaar onderzoek wordt georganiseerd. Hoewel dit uiteraard de procedure langer laat aanslepen, is het nog steeds minder tijdrovend dan een volledig nieuwe aanvraag te moeten indienen. Wijzigingen in de vereenvoudigde procedure mogen evident niet tot gevolg hebben dat een openbaar onderzoek zou moeten worden georganiseerd, nu in die procedure geen openbaar onderzoek mogelijk is.

 

5. Valse start op gemeentelijk niveau

 

Met de omgevingsvergunning gaat een belangrijke component van digitalisering gepaard. De bedoeling is dat de meeste aanvragen verplicht digitaal worden ingediend. Dit vereist uiteraard dat de overheid over werkende platformen beschikt. Op dit moment is dat enkel het geval voor het Vlaams Gewest en de provincies.

 

Voor de gemeenten is de nodige software nog niet voorhanden, hetgeen betekent dat zij op 23 februari de omgevingsvergunning nog niet kunnen implementeren. De gemeenten kunnen bijgevolg uitstel vragen tot 1 juni 2017, hetgeen nu ook massaal gebeurt. In de meeste gemeenten zal de omgevingsvergunning dus pas op 1 juni in werking treden voor aanvragen die op gemeentelijk niveau moeten worden afgehandeld.

 

Tot dan blijft in die gemeenten het systeem van stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen naast elkaar bestaan. Om het nog iets ingewikkelder te maken, moeten stedenbouwkundige vergunningen waarvoor de medewerking van een architect vereist is, toch al digitaal worden ingediend. Daarvoor bestaat de vereiste software wel reeds. De milieuvergunningen die vanaf 23 februari worden verleend zullen bovendien reeds van onbepaalde duur zijn, net zoals dit voor de omgevingsvergunning het geval is.

Auteur

News & events

01/02/2017

De omgevingsvergunning: een revolutie met een valse start

1. Inleiding

 

Met de Stedebouwwet van 1962 werd in België voor het eerst een bouwvergunning ingevoerd. In de halve eeuw daarna werd het stedenbouwrecht gekenmerkt door een voortdurende evolutie, met de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) als voorlopig hoogtepunt. Tegelijk heeft de Vlaamse decreetgever de voorbije decennia het milieurecht sterk ontwikkeld, met de milieuvergunning als essentieel onderdeel daarvan.

 

Op 23 februari 2017 treedt echter het Omgevingsvergunningsdecreet in werking, dat zowel voor het stedenbouw- als het milieurecht een procedurele revolutie inhoudt. De omgevingsvergunning wordt immers een geïntegreerde vergunning die zowel de stedenbouwkundige vergunning, de verkavelingsvergunning en de milieuvergunning vervangt. Deze vergunning is in principe permanent. Het tijdsgebonden karakter van de milieuvergunning komt daarmee te vervallen. Niettemin zijn tussentijdse evaluaties mogelijk. Vlaanderen hoopt daarmee de vergunningsprocedure sneller en efficiënter te maken, hetgeen voor de rechtsonderhorige uiteraard uitstekend nieuws is, althans voor zover die doelstelling daadwerkelijk wordt bereikt.

 

Belangrijk is dat enkel de procedures worden vervangen. De toetsingscriteria blijven voorlopig ongewijzigd. Op stedenbouwkundig vlak zal een aanvraag dus nog steeds moeten worden getoetst aan de criteria in de VCRO. Wat het milieuaspect betreft, verhuizen de inhoudelijke criteria van het Milieuvergunningsdecreet (dat wordt opgeheven) naar het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (DABM), maar blijven ze verder ongewijzigd.

 

2. Bevoegde overheid

 

Wie een project wenst te realiseren zal dus maar één vergunning meer moeten aanvragen. Afhankelijk van het project zal die aanvraag moeten gebeuren bij  de gemeente, de provincie of het Vlaams Gewest. Waar u de stedenbouwkundige vergunning vroeger sowieso bij de gemeente moest aanvragen, maar het kon dat u zich voor de milieuvergunning tot de Deputatie moest richten, wordt nu één overheid integraal bevoegd. Toch is dit minder eenvoudig dan het lijkt, aangezien de vergunningsaanvrager zelf zal moeten uitzoeken welke overheid voor zijn vergunningsaanvraag bevoegd is.

 

Het Vlaams Gewest en de provincie zullen voornamelijk bevoegd zijn voor respectievelijk de “Vlaamse projecten” en de “provinciale projecten”. Dit zijn limitatieve lijsten met projecten die terug te vinden zijn in de bijlagen bij het Besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015. Vlaamse projecten omvatten bijvoorbeeld de aanleg van autosnelwegen of gewestwegen, aanvragen voor grote afvalverbrandingsinstallaties, aanvragen voor grote windmolenparken etc. Op de lijst van provinciale projecten staan onder andere aanvragen voor handelsruimtes met meer dan 15.000m2 vloeroppervlakte buiten de centrumsteden, aanvragen voor kleinere windmolenparken, aanvragen m.b.t. bovenlokale fietsnetwerken etc. Daarnaast blijft de Deputatie bevoegd voor alle aanvragen voor inrichtingen van Klasse 1 volgens de Vlarem-indelingslijst, voor zover de vergunningsaanvraag geen Vlaams project betreft. Voor alle overige aanvragen én meldingen zal de gemeente bevoegd zijn. De decreetgever heeft ook de mogelijkheid voorzien om een lijst van gemeentelijke projecten op te stellen, maar daarvan is voorlopig nog geen gebruik gemaakt.

 

Het uitzoeken welke overheid voor uw vergunning bevoegd is, is dus niet noodzakelijk eenvoudiger geworden. Gelukkig voorziet het Omgevingsvergunningsdecreet in een vangnet: indien een verkeerde overheid uw aanvraag ontvangt, moet deze de aanvraag doorsturen naar de werkelijk bevoegde overheid.

 

3. Vergunningsprocedures

 

Het decreet voorziet in drie procedures: de gewone procedure, de vereenvoudigde procedure en de melding. De vereenvoudigde procedure zal bijvoorbeeld van toepassing zijn op tijdelijke inrichtingen, beperkte veranderingen aan vergunde projecten en de meeste aanvragen die enkel een stedenbouwkundige of verkavelingscomponent bevatten en die volledig voldoen aan een RUP of BPA. Zodra er een MER of veiligheidsrapport vereist is, moet de gewone procedure worden gebruikt.

 

Het zou ons te ver leiden om de procedures volledig te bespreken, maar we kunnen alvast enkele hoofdlijnen benadrukken. In de gewone procedure zal steeds een openbaar onderzoek vereist zijn, dat zoals voorheen 30 dagen duurt. Tijdens dat openbaar onderzoek kunnen niet enkel bezwaren tegen de vergunningsaanvraag zelf worden ingediend, maar bijvoorbeeld ook opmerkingen op een bijhorend MER. Dit openbaar onderzoek kan gepaard gaan met een verplichte informatievergadering (bvb. wanneer de aanvraag een inrichting van Klasse I betreft of MER-plichtig is). Net zoals tevoren zal de vergunningverlenende overheid bepaalde adviezen moeten opvragen. In bepaalde gevallen worden de individuele adviezen echter vervangen door een globaal advies van de provinciale of gewestelijke omgevingsvergunningscommissie. Opvallend is dat u als vergunningsaanvrager kan vragen om door deze commissie gehoord te worden, waar dit voor individuele adviezen niet kan. Naargelang de concrete situatie duurt de procedure maximum 105-180 dagen vanaf de ontvankelijkheidsverklaring (die binnen de dertig dagen moet gebeuren) van het dossier.

 

Bij de vereenvoudigde procedure moet nooit een openbaar onderzoek worden georganiseerd. Evenmin is een advies van de omgevingscommissies vereist, al kunnen wel individuele adviesvragen van toepassing zijn. Deze procedure neemt slechts 60 dagen in beslag vanaf de ontvankelijkheidsverklaring.

 

4. Procedurele vangnetten

 

De nieuwe procedure is gebruiksvriendelijker in de zin dat meer zaken lopende de aanvraagprocedure kunnen worden rechtgezet.

 

Wanneer bij het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek wordt vastgesteld dat bepaalde documenten ontbreken, hoeft de overheid de aanvraag niet automatisch onontvankelijk te verklaren. Zij kan de aanvrager de mogelijkheid bieden om binnen een bepaalde termijn aanvullende documenten te bezorgen. Let wel, het gaat om een mogelijkheid: de vergunningverlenende overheid is niet verplicht om deze kans te geven.

 

Daarnaast wordt een administratieve lus ingevoerd. Als de overheid tijdens de procedure een onregelmatigheid vaststelt die tot de vernietiging van de vergunningsbeslissing zou kunnen leiden, kan ze deze onregelmatigheid nog herstellen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet inwinnen van alle benodigde adviezen of fouten bij de afhandeling van het openbaar onderzoek. Indien nodig, kan de overheid daarvoor een nieuw openbaar onderzoek organiseren of opnieuw adviezen opvragen.

 

Ten slotte worden ook de mogelijkheiden van de aanvrager uitgebreid om zijn aanvraag nog te wijzigen lopende de procedure. Waar tot nu toe gold dat wijzigingen in elk geval niet aanvaardbaar waren indien ze aanleiding zouden geven tot een nieuw openbaar onderzoek, zijn dergelijke wijzigingen nu wel mogelijk, mits effectief een tweede openbaar onderzoek wordt georganiseerd. Hoewel dit uiteraard de procedure langer laat aanslepen, is het nog steeds minder tijdrovend dan een volledig nieuwe aanvraag te moeten indienen. Wijzigingen in de vereenvoudigde procedure mogen evident niet tot gevolg hebben dat een openbaar onderzoek zou moeten worden georganiseerd, nu in die procedure geen openbaar onderzoek mogelijk is.

 

5. Valse start op gemeentelijk niveau

 

Met de omgevingsvergunning gaat een belangrijke component van digitalisering gepaard. De bedoeling is dat de meeste aanvragen verplicht digitaal worden ingediend. Dit vereist uiteraard dat de overheid over werkende platformen beschikt. Op dit moment is dat enkel het geval voor het Vlaams Gewest en de provincies.

 

Voor de gemeenten is de nodige software nog niet voorhanden, hetgeen betekent dat zij op 23 februari de omgevingsvergunning nog niet kunnen implementeren. De gemeenten kunnen bijgevolg uitstel vragen tot 1 juni 2017, hetgeen nu ook massaal gebeurt. In de meeste gemeenten zal de omgevingsvergunning dus pas op 1 juni in werking treden voor aanvragen die op gemeentelijk niveau moeten worden afgehandeld.

 

Tot dan blijft in die gemeenten het systeem van stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen naast elkaar bestaan. Om het nog iets ingewikkelder te maken, moeten stedenbouwkundige vergunningen waarvoor de medewerking van een architect vereist is, toch al digitaal worden ingediend. Daarvoor bestaat de vereiste software wel reeds. De milieuvergunningen die vanaf 23 februari worden verleend zullen bovendien reeds van onbepaalde duur zijn, net zoals dit voor de omgevingsvergunning het geval is.